Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
Art. 4'.
(c) Het komen in hooger beroep, zoo van de uit-
spraak van den schoolopziener als van die van Gede-
puteerde Staten, geschiedt binnen veertien dagen, te
rekenen van den dag, vaarop de kennisgeving der
uitspraak bij de belanghebbenden is ontvangen.
(d) Tot het komen in hooger beroep zijn bevoegd
aUen, te ^vier nadeel de uitspraak is uitgevallen, met
name de ouders of voogden der schoolgaande kinderen,
indien de schoolopziener in de uitspraak van Gedepu-
teerde Staten heeft berust.
(e) In afvrachting der eindbeslissing kan het onder-
wijs in het afgekeurde locaal Tvorden voortgezet.
(ii) De Regering blijft het ongeraden achten eene be-
paling op te nemen , strekkende om ongevaccineerde kinde-
ren , die de natuurlijke kinderziekte niet gehad hebben,
van de school te weren. Zoodanig verbod behoort eigen-
lijk bij de medicische policie te huis. (Mem. van Beantw.
van 16. Junij 1857.)
(a) Onder de algemeene uitdrukking „voor de gezondheid
schadelijk" zijn de bijzonderheden van zelf begrepen; wer-
den deze met namen genoemd, men liep gevaar, dat ze
later bleken onvoldoende of onvolledig te zijn; daargelaten
nog de vraag, of ze in de wet op het lager onderwijs te
huis behooren. Ten aanzien der schoollokalen komen toch
in aanmerking, de ligging van het gebouw, het terrein
waarop het wordt gesticht, de nabijheid van andere wo-
ningen, de hoogte, ruimte en verlichting van het vertrek,
de luchtverversching, de plaatsing der ramen en der deu-
ren, do vloer, da hoogte der banken en schrijftafels enz.;
in een woord al wat maar eenigermate op de gezondheid
der leerlingen van invloed kan zijn. Wilde men volledige
voorschriften in het belang dier g«zondheid in deze wet