Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
wetj die in 'tbezit van alle inspecteurs, schoolopzieners, gemeente-
besturen, plaatselijke commissien van onderwijs en onderwijzers,
wij durven bijkans zeggen, moet zijn, omdat uit do aanteekeningen
den geest ^ de bedoelingen der verschillende artikels is op temaken.
Dc verschillende artikels der wet zijn verdeeld in zoo velo af-
deelingen, als ieder artikel aan de hand geeft, en deze zijn mei
verschillende letters aangeduid. — Naar die verdeeUng der artikelen
komen de aanteekeningen onder ieder artikel voor, met zoo vele
duidelijkheid, als nog in geen werk van dezen aard is geschied.
De aanteekeningen zijn met zorg genomen uit de onderscheidene
memoriën van Toelichting der regering en uit de voorloopige ver-
slagen der Tweede Kamer, en inzonderheid uit de redevoeringen
van den Minister van Binnenlandsche Zaken in de Eerste en
Tweede Kamer der Staten-Generaal. Inzonderheid is ook gebruik
gemaakt van de vroegere memori'én van Toelichting cn de Voor-
loopige Verslagen van 1854, 1855 cn 1856.
De aanteekeningen zijn niet letterlijk overgenomen; alles is ver-
meden en weggelaten, wat overtollig ter opheldering mag gerekend
worden. De redevoering van den Minister van Justitie over de Ie
alinea van art. 23 is er geheel in te vinden , in zoo verre het ge-
deelte er van in het zevende of laatste vel van deze aflevering
voorkomt. Immers deze redevoering is een der gewigtigstc stuk-
ken, welke tot opheldering niet gemist kau worden.
Art. 16 en 23, de beide hoofdkwestien bij de wetgeving, zijn
bijzonder naauwkeurig en met zorg toegelicht. — Bij art. 23 treft
men bijzonderheden aan uit de geschiedenis van het onderwijs, die
tot dus verre niet algemeen bekend waren. De schrijver heeft
daarbij medegedeeld, al wat er aangaande de godsdienstige strek-
king van het onderwijs in al de wetten en ontwerpen van wetten
sedert 1795 , opeenvolgend voorkomt.
Ilct werk draagt verschillende kenmerken, daar het door een
onderwijzer is zamengesteld, want men vindt ook hier en daar
practische wenken over het onderwijs, welke in de stukken van
de regering en van de wetgevende magt verspreid liggen.
De schrijver deelt niet mede, met hoe vele en welke stemmen
ieder artikel is aangenomen, omdat hij dat schijnt te beschouwen
als van gering belang.
Verder laat hij geheel ter zijde de toelichting en opheldering van
beginselen, welke in vorige ontwerpen voorkomen: ook deelt hij
niet mede, wat tot bestrijding of verdediging van beginselen voor
mogt komen en van punten die geen kracht van wet hebben ver-