Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
AllT. 1.
ren in genoegzaam aantal behoefte heeft aan onderwijs in
de Fransche taal b. v., of in de Iloogduitsche taal, daar
moet de overheid zorgen, dat dit onderwijs te verkrijgen
zij op eene openbare school; want anders zullen de inge-
zetenen gedwongen zijn hunne kinderen te zenden naar
eene vrije school, die eene sectenschool'kan zijn, of eene
school waar dat onderwijs, juist door de vrijheid, zeer ge-
brekkig of in verkeerde rigting gegeven wordt. En tegen
zulk eene noodzakelijkheid heeft de grondwet al de inge-
zetenen gewaarborgd door de bepaling: er zal overal van
overheidswege lager ondenvijs worden gegeven, en nu zal deze
wet, door welke die waarborg in werking moest worden
gebragt, dat niet doen, wanneer (het onderwijs in) levende
talen (wordt) worden buiten gesloten: want dan zal die
bepaling met der daad alleen geschreven zijn voor de lagere
standen. Wat men bij de grondwets-herziening heeft voor-
gespiegeld van eene concurrentie tusschen het staatsonder-
wijs en het vrije onderwijs zal eene hersenschim zijn
geweest; het woord der regering: het openhaar onderwijs
moet altijd hoofdzaah zijn is eene ijdele leus, omdat er geen
ander onderwijs van overheidswege zal gegeven worden
dan voor de laagste standen. Zoodra men komt op dien
breeden stroom, die tusschen de armen en de rijken ligt,
treft men een aantal huisvaders aan — en bij het verme-
nigvuldigen van het volkenverkeer vermenigvuldigt dat
getal —■ die in het welbegrepen belang hunner kinderen
uitzien naar eene school waar ook de eene of andere
vreemde taal wordt onderwezen. Wanneer er nu geene
openbare school is, waarin aan die behoefte kan worden
voldaan, dan worden de kinderen der talrijke burgerklasse
voor een groot deel, en de kinderen der hoogere standen,
waarin die behoefte algemeen is, allen gedreven naar vrije
scholen, en zoo worden juist^' de kern en de bloem der
natie ten prooi gelaten van hen, die in de vrijheid van
onderwijs een middel zullen zoeken, of naar w^instbejag of
ter bereiking van bijzondere bedoelingen. Dit is in strijd
met den wil van den Grondwetgever, in strijd met het