Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
Art. 1.
Ik geloof dat het aanvankelijk moeijelijkheid zal kunnen
geven, om op alle plaatsen, bijv. daar waar thans onder-
wijzers gevestigd zijn, die krachtens art. 68 in hunne
tegenwoordige betrekking zullen worden gehandhaafd,
maar die niet die opleiding hebben genoten, welke bij
deze wet gevorderd wordt, aan het onderwijs die hooge
vlugt te geven, welke in de strekking ligt van art. 1;
maar ik geloof tevens, dat dit niet het verlangen kan
zijn van den wetgever, omdat hij het onmogelijke niet
kan vorderen, en onmogelijk zal het wezen het onderwijs
eensklaps op dien voet te brengen ais het door deze wet
gevorderd wordt. Maar welke is de bedoeling? Het on-
derwijs zoodra mogelijk op te voeren tot die hoogte waarop
het, volgens de bepalingen dezer wet, moet worden ge-
bragt. Ik wil niet zeggen, dat het eene ideale hoogte
is, maar het is toch in zekeren zin een ideaal, waarnaar
men moet streven, zal het onderwijs voldoen aan de eischen
van deze wet. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857,
bladz. 201, l'^ Kam. der St.-Gen.)
Voor de bijzondere scholen kan uit den aard der zaak
geen minimum worden voorgeschreven, dewijl aldaar vrij-
heid moet bestaan, in zoo veel of zoo weinig vakken on-
derrigt te geven, als wcnschelijk zal worden geoordeeld.
(Mem. van Beantw, van 16. Junij 1857.)
Op openbare lagere scholen behoeven niet in alle vak-
ken van het meer uitgebreid lager onderwijs gezamentlijk
onderrigt worden gegeven , maar in één of meer derzelve,
al naar dat men het goed vindt en de behoefte het mede
brengt. (Mem. van Beantw. van 16. Junij 1857.)
a. Het lezen. Op de Vraag: of de bijbel op de gemengde
school han toegelaten loordea ? antwoordt de minister van
justitie:
De bijbel kan op de gemengde school in den regel niet
toegelaten worden. In den regel mögt hij op de gemengde
school niet gelezen of gebruikt worden. Daar waar ook
slechts één Roomsch-Catliolijk kind was, mögt hij niet ge-
bruikt worden , omdat het geweten ook van dat ééne kind
u