Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
218
Akt. 72.
vak van middelbaar onderwijs is daarbij sprake, dus ook
niet van dat, tijdelijk door deze wet geregeld. (Mem. v.
Beantw. van 16. Junij 1857.)
(a) Volgens de bestaande verordeningen is het lager
onderwijs van zeer ruimen omvang en bevat het vakken,
met name de levende talen, de wiskunde, de natuurkunde
en de geleerde talen.
Die vakken zullen dus in de verdere wettelijke verorde-
ringen, door artikel 194 der Grondwet gevorderd, eene
plaats moeten vinden. Maar zoo lang kan niet worden
gewacht. De geleerde talen, waaromtrent bij het vaststel-
len der verordeningen van 1806 voorschriften zijn gegeven,
eischen voor het tegenwoordige geene voorziening, doch
wel de andere vakken; want de daaromtrent dusverre be-
staande verordeningen, namentlijk van 1806, vervallen,
en al wat het onderwijs in die vakken betreft, zou dus
als het ware in de lucht zweven, terwijl op de vraag, hoe
het voortaan en in afwachting der wet op het middelbaar
onderwijs met dat onderwijs zou gaan, geen voldoend ant-
woord te geven zou zijn, zoo niet tijdelijke voorschriften
dien aangaande wierden vastgesteld.
Nu kwam het der Regering meest eenvoudig en alzoo
verkieslijk voor, tijdelijk en in afwachting der wet op het
middelbaar onderwijs, de voorschriften der tegenwoordige
•wet mede van toepassing te doen verklaren op alles wat
betreft het onderwijs in die vakken, die dusverre in den
kring van het lager onderwijs opgenomen, daaruit door
de tegenwoordige wet verwijderd worden. Die regeling
scheen in alle opzigten natuurlijk en voldoende.
Dat onderwijs had dusver een deel van het lager on-
derwijs uitgemaakt, was door de verorderingen op het
lager onderwijs geregeld. Bragt eene nieuwe indeeling
van het lager en middelbaar onderwijs te weeg dat een
gedeelte van het eerste werd afgenomen en aan het
laatste toegevoegd, wat was natuurlijker dan dat dit ge-
deelte tijdelijk werd beschouwd nog tot het eerste te be-
hooren ? Ook scheen die regeling voldoende om alle