Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
213
Art. 70.
wet, wat het niet finantiële betreft, vóór den Januarij
1858 gereed te komen. Plet is niet alleen het verdeelen
van schooldistricten, de keus van de schoolopzieners en
provinciale inspecteurs, het ontwerpen van hunne instruc-
tiën; maar het is ook vooral de regeling van de examens,
die al spoedig, het volgende jaar , zullen moeten worden
gehouden. Dat alles zijn onderworpen van het grootste
belang die zeker veel onderzoek , veel overleg zullen
vereischen. Komt daar nu nog bij, dat de Regering zich
ook moet begeven in de bijzonderheden van een onderzoek
ten opzigte van de geldelijke bezwaren, die er mogten ont-
staan door de invoering van deze wet in verschillende
gemeenten, dan zal de tijd inderdaad ongenoegzaam zijn,
zelfs gedurende het volgende jaar. Wel meen ik er op te
mogen rekenen, dat met behulp van de districts-schoolop-
zieners en van de provinciale inspecteurs vele bezwaren
zullen kunnen worden te boven gekomen, die zich nu
voordoen, en dat die ambtenaren in een meer naauwkeu-
rig onderzoek en in overleg met de Gemeentebesturen
zullen kunnen treden; maar er zullen nog altijd vele be-
zwaren uit den weg te ruimen blijven.
Ik weet wel, dat door tijdsverloop alleen de bezwaren
niet worden opgeheven, maar het is dan ook niet met
het oogmerk om gedurende dien tijd alles zijn loop te
laten, alles over te laten tot aan den laatsten dag, maar
om van dien tijd nuttig gebruik te maken tot eene be-
hoorlijke, regelmatige invoering van de wet dat ik eene
gepaste tijdruimte verlang. Ik heb, naar aanleiding van
hetgeen ik straks zeide, geen bezwaar om den termijn
van 5 jaren eenigermate in te krimpen, maar ik zou wel
wenschen, dat althans 3 jaren daarvoor wierden toege-
staan, Het is niet omdat de Regering niet zou willen de
wet op het onderwijs met kracht in te voeren ; het te-
gendeel van dien is waar; bij haar bestaat het voorne-
men om die invoering met ernst door te zetten, zoo als
het belang van het onderwijs en het daarmede vereenigd
belang van den Staat het eischen. Maar men moet niet