Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
212
Aet. 69 en 70.
hand. De verbetering echter van het lot der onderwijzers
moet niet afhankelijk worden gesteld van de denkwijze
over individu's; het belang der betrekking op zich zelve
behoort alleen in aanmerking te komen. (Mem. van Be-
antw. van 16. Junij 1857.)
Art. 70. Tot liet in werking brengen der voorschrif-
ten betrekkelijk:
(a) het bepalen van het getal der scholen in even-
redigheid met de bevolking en de behoefte, en de
uitbreiding van het onderwijs (artt. 16 en 17);
(b) den bijstand in het onderwijs aan den hoofdon-
deawijzer te verleenen (art. 18);
(c) de jaarwedden en andere voordeelen der hoofd-
en hulponderwijzers en de toelagen ten behoeve der
kweekelingen (artt. 19 en 20);
(d) de kosten van het onderwijs (artt. 31—35);
(e) wordt een termijn toegestaan van uiterlijk drie
jaren, te rekenen van het tijdstip waarop deze wet
verbindende is.
(f) Gedurende dien termijn worden aan de openbare
hoofdonderwijzers en hoofdonderwijzeressen en aan de
gemeenten de jaarwedden en toelagen der provinciën en
van het rijk uitbetaald, in welker genot zij zijn tijdens
het in werking treden dezer wet.
(e) De termijn van één jaar zou te kort zijn. Men moet
in aanmerking nemen hoeveel er reeds door de Eegering
zal moeten worden gedaan om met de invoering van de