Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
i
208
Art. 68.
(b) Men scheen over te hellen tot het denkbeeld, d.at
de regtvaardigheid medebrengt, om aan onderwijzers van
hoogeren rang na het in werking brengen der wet de
bevoegdheid toe te kennen van, op grond van dien een-
maal verkregen rang, aan het hoofd van eene andere
openbare of bijzondere school te worden geplaatst, of
zich te plaatsen. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(b) Naardien de vereischten voor den tegenwoordigen
pten gn rang hooger zijn dan die voor de acte van
hoofdonderwijzers volgens de nieuwe wet; en die voor den
rang nagenoeg gelijk staan met die van hulponder-
wijzer volgens die wet, zoodat er ook in zooverre geen
noodzakelijkheid zou bestaan een nader examen te verlan-
gen. (Mem. van Toel. van 30. Dec. 1855.)
(b) Het bezit van den 3'""' rang kan slechts als een
bewijs van middelmatige bekwaamheid worden beschouwd.
De wet zou ongelukkig werken, zoo het algemeene peil
der bekwaamheid van de onder hare werking geëxami-
neerde en toegelaten onderwijzers niet hooger rees, dan
dat der tegenwoordige bezitters van den rang. Het
zou een ramp voor ons schoolwezen zijn, wanneer nog
gedurende eene reeks van jaren een groot aantal perso-
nen naar onderwijzersplaatsen konden dingen, die, wat
hunne kunde betreft, op een betrekkelijk veel te laag
standpunt geplaatst zijn. Voor de hier bedoelde onder-
wijzers zelven is het nuttig, dat zij een prikkel erlangen
tot verdere oefening. Dikwijls ziet men tegen het on-
dergaan van een examen op, ofschoon men de daarvoor
vereischte kunde bezit. Voor de bezitters van den
rang, die zich in dat geval bevinden, is het in hun eigen
belang wenschelijk, dat zij gedwongen worden dien weer-
zin of die vree.=achtigheid te overwinnen. Zij zullen
daardoor te eer kans hebben op bevordering. (Voorl.
Versl. van 6. April 1857.)
(b) Op het verlangen, dat ook de acten van schoolhoude-
ressen, naor de wet van 3. April 1806 afgegeven, en dus
alleen in de provinciën geldig, alwaar zij afgegeven zijn,