Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
200
Art. 64.
Art. 64. De plaatselijke schoolcommissiën houden
een naauwkeurig toezigt op alle scholen in de gemeente
waar lager onderwijs gegeven wordt; bezoeken die ten
minste twee malen 's jaars, hetzij gezamenlijk, hetzij
door commissiën uit haar midden; zorgen dat de veror-
deningen op het lager onderwijs stipt nagekomen wor-
den; houden aanteekening van het onderwijzend perso-
neel , van het getal leerlingen en van den staat van het
onderwijs; doen jaarlijks vóór den 1®'®° Maart aan den
gemeenteraad een beredeneerd verslag van den toestand
van het onderwijs in de gemeente, en zenden daarvan
afschrift aan den districts-schoolopziener; deelen dezen
de belangrijke veranderingen mede, die het schoolwezen
heeft ondergaan; geven hem en den provincialen in-
specteur alle inlichtingen die zij verlangen; verleenen
den onderwijzers, die hare voorlichting, hulp of mede-
werking vragen, bijstand, en beijveren zich den bloei
van het onderwijs naar vermogen te behartigen.
De leden van de plaatselijke schoolcommissiën worden
eenigermate beschouwd als leden van het algemeen rijks-
toezigt op het lager onderwijs, maar niet zoo zeer, dat te
dezen aanzien, te veel van haar wordt gevergd. Toezigt
in het plaatselijk belang zal hare hoofdbezigheid wezen,
en de weinig knellende band, die haar aan het overige
gedeelte van het rijkstoezigt hecht, zal geene belemmering
aanbrengen en daarentegen ter bevordering van de zoo
noodige eenheid en kracht van het schooltoezigt nuttig
kunnen werken. (Mem. van Toel. van 21. Febr. 1857.)
Art. 73 heft wel de bestaande verordeningen op,