Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
195
Aet. 61 en 63.
eene voorafgaande eedsaflegging gebiedend, noodzakelijk
te maken, maar het volgend art. 62, waarbij het regt tot
het opmaken van proces-verbaal is toegekend, laat het
weglaten der bepaling niet toe. Wierd zij niet opgenomen,
elk proces-verbaal zou afzonderlijk moeten worden beëedigd.
(Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(a) De herbenoemde schoolopziener staat gelijk met hem,
die voor het eerst de betrekking aanvaardt; hij legt alzoo
den eed of de belofte af, even als de burgemeester en
kantonregter, die na zes- en vyfjarige dienst is herbenoemd.
(Mem. V. Beantw. van 16. Junij 1857.)
(b) De Regering gelooft niet, dat uit de tweede zin-
snede van dit art. moet volgen , dat in gemeenten boven
do 3000 zielen de burgemeester geen lid der schoolcom-
missie kan zijn. Wierd hij daartoe door den raad be-
noemd, hij zou zich als burgemeester tijdelijk kunnen doen
vervangen door den oudsten wethouder, en in diens
handen den eed afleggen. (Mem. van Beantw. op het
Versl. 1° Kam. der St.-Gen. 9. Aug. 1857.)
(b) Ik erken, dat de beëediging van den burgemeester
door den wethouder, niet zal overeenstemmen met de
letterlijke bepaling van de wet. Evenwel herinner ik,
dat de gemeentewet de vervanging van den burgemees-
ter door den oudsten wethouder toelaat, zoodat, wan-
neer de burgemeester optreedt in de hoedanigheid van
lid der plaatselijke commissie als een ander persoon al-
zoo, naar mijn inzien de eed zal kunnen worden afge-
nomen, door dien wethouder. (Min. van binnenl. zaken,
Bijbl. 1859, bladz. 202, 1« Kam. der St.-Gen.)
(b) De beëediging kan niet achterwege worden gela-
ten, omdat zij, die met dat toezigt zijn belast, bevoegd
zijn verklaard, wegens overtreding der wet, procesverbaal
op te maken. (Mem. van Beantw. op het Versl. 1° Kam.
der St.-Gen. 9. Aug. 1857.)
Art. 62. De leden der plaatselijke schoolcommissiën,