Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
193
Art. 58 en 59.
(b) De Koning is ongetwijfeld bevoegd een door hem
benoemd ambtenaar ten allen tijde te ontslaan; de bepa-
ling schijnt echter niet overbodig. Ten aanzien dér di-
stricts-schoolopzieners is hetzelfde gezegd. Wel is bij deze
de bepaling meer noodzakelijk, dewijl zij voor zes jaren
worden benoemd, hetgeen aanleiding zou kunnen geven
tot de vraag, of zij tusschentijds mogen worden ontslagen;
maar het weglaten der bepaling bij den inspecteur zou tot
verkeerde gevolgtrekking kunnen leiden. (Mem. v. Beantw.
van 16. Junij 1857.)
Art. 59. De inspecteurs worden eenmaal 's jaars door
Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken bijeengeroe-
pen, ten einde onder zijne leiding de algemeene belan-
gen van het lager ondermjs te overwegen en te bevor-
deren.
Ik geloof, dat deze bepaling — het houden van eene
algemeene vergadering van do inspecteurs — allernuttigst
zal knnnen werken. Ik stel mij voor, dat de provinciale
inspecteurs, teruggekeerd in hunne provinciën, daar de
schoolopzieners om zich zullen verzamelen, om met hen
de belangen te bespreken van het onderwijs, welke zij
zullen hebben hooren behandelen, in de vergadering hier
in de residentie. Op die wijze zal eenheid en een regel-
matige gang van het onderwijs algemeen bevorderd wor-
den. (Min. van binnenl. zaken, ISijbl. 1857, bladz. 201
1= Kam. der St.-Gen.)
Het kan voor de algemeene belangen van het onderwijs
goed zijn, dat elke provincie speciaal worde vertegenwoor-
digd bij de jaarlijksche bijeenkomst onder de leiding van
den minister van binnenl. zaken. (Mem. van Beantw. op
het Versl. 1= Kam. der St.-Gen. van 9. Au-. 1857.)
13