Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
185
Art. 54.
Art. 54. (a) In gemeenten beneden de 8000 zielen
zijn de werkzaamlieden der plaatselijke schoolcommissie
opgedragen aan burgemeester en wethouders.
(b) In de overige gemeenten worden die commissiën
door den gemeenteraad benoemd.
(c) Het lidmaatschap dezer commissiën is vereenig-
baar met dat van dien raad.
(a) Het belang van het onderwijs schijnt te vorderen,
in 't algemeen als beginsel aan te nemen, om in de klei-
nere gemeenten het toezigt aan burgemeester en wethou-
ders op te dragen, en dat collegie dan de plaatselijke
schoolcommissie te doen uitmaken. Op welke gemeenten
zou evenwel dit beginsel moeien worden toegepast? De
regeling is niet vrij van bezwaar. Het zielental is steeds
eenigermate een bedriegelijke maatstaf, want soms zal in
eene gemeente met geringe bevolking eer de stof voor
eene goede schoolcommissie gevonden worden dan in eene
zeer bevolkte. Evenwel is, bij gemis van andere goede
grondslagen, het zielental nog de meest aannemelijke. De
Regering heeft nagegaan welke gemeenten in het Rijk,
bij het aannemen van dat cijfer, eene schoolcommissie
zouden bekomen uit andere personen dan burgemeester en
wethouders bestaande, en nadat haar dien ten gevolge ge-
bleken was, dat in die gemeenten naar alle waarschijnlijk-
heid, buiten burgemeester en wethouders genoeg personen
gevonden worden, geschikt voor het lidmaatschap der be-
doelde commissie, heeft zij geen bezwaar gemaakt het
cijfer van 4000 (thans 3000) aan te nemen. (Mem. van
Toel. 21. Febr. 1837.)
(a) Ik wil gelooven, dat het in sommige gemeenten
moeijelijk zal zijn voor leden van de plaatselijke school-
commissie, zich tot burgemeester en wethouders beper-