Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
182
Aet. 51.
hebben, niet aan het Gemeentebestuur overgelaten, maar
zal door den Koning geschieden. Deze zou dan tevens
de wijze en voorwaarden bepalen, waarop de hulponder-
wijzer zal worden aangesteld, dewijl anders welligt moeije-
lijkheden zouden rijzen over de vragen, of zoodanige hulp-
onderwyzer te benoemen ware zoo als de hoofdonderwij-
zer, of hij even als deze aanspraak kon maken op vrije
woning of vergoeding voor huishuur en meer dergelijke.
(Mem. van ïoel. 21. Febr. 1857.
(c) De maatregel bij dit artikel moet eene zeld-
zame uitzondering zijn. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij
1857.)
(c) De meerderheid, die, de zaak uit het juiste oog-
punt beschouwende, geen bezwaar in het voorschrift zag,
meent dat het zich kon beperken tot een eenvoudig dis-
pensatie-regt aan den Koning toegekend, en dat de meer-
dere omslag, waarvan hier sprake is, zoo als de bepaling
der wijze, waarop de uitzondering zou werken, kon wor-
den weggelaten. Wierd een hulponderwijzer aan het
hoofd eener school geplaatst, zegt zij, dan sprak het van
zelf, dat hij op geene andere jaarwedde aanspraak had dan
op het aan zijne betrekking verknocht minimum van ƒ200.
Dit laatste ligt niet in de bedoeling der Regering. Er
zijn tegenwoordig bijscholen, waar de onderwijzer, die
slechts gedurende een gedeelte van het jaar onderwijs
geeft, eene bezoldiging heeft van minder dan ƒ200. Er is
geen reden om zoodanige voortaan minstens ƒ 200 als
jaarwedde toe te leggen. Ten einde evenwel de bedoeling
der Regering duidelijker te doen uitkomen, is jaarwedde
vervangen door b'elooning, en zijn tevens de woorden op
die wijze als overtollig weggelaten. Het bedrag der be-
looning zal in elk geval, naar bevind van zaken, door
den Koning worden vastgesteld. (Mem. v. Beantw. van
16. Junij 1857.)
(c) Ik zou wenschen, dat hetgeen hierin voorkomt als
uitzondering zou kunnen blijven beschouwd. (Min. van
Binnenl. Zaken, Bijbl. 1857, bladz. 1055.)