Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
181
Art. 51.
(c) Behalve in de gevallen voorzien bij art. 20 kan
de acte van hulponderwijzer, onder de voorwaarden door
Ons te bepalen, regt geven om aan het hoofd eener
openbare school te staan.
(a) Niet op elke school toch waar gewenseht mogt
worden aan gewoon lager onderwijs eenige uitbreiding te
geven, zal de hoofd- of hulponderwijzer bevoegd zijn de
toe te voegen vakken te onderwijzen. (Mem. v. Beantw.
van 16. Junij 1857.)
(c) In Drenthe zouden overwegende bezwaren voort-
vloeijen uit het voorschrift, dat de hoofdonderwijzer steeds
een minimum van ƒ 400 als jaarwedde moet ontvangen.
Ook in andere provinciën zouden dezelfde bezwaren zich
doen gevoelen. Hier en daar vindt men zoogenaamde
bijscholen, veelal met een gering getal leerlingen; sommige
alleen des winters gehouden en waarbij onderwijzers van
den vierden of den derden rang geplaatst zijn, in het
genot eener zeer geringe toelage uit de gemeentekas.
Het valt niet te ontkennen, dat, zoo bij elk dier scholen
een hoofdonderwijzer op het bij de wet bepaalde minimum
moest worden aangesteld, de gemeente daardoor boven-
mate zou worden gedrukt. Ook zou men vermoedelijk
stuiten op de moeijelijkheden om hooldonderwijzers te vin-
den , genegen eene betrekking bij zoodanige scholen aan
te nemen. De overweging van dit een cn ander heeft de
Regering geleid tot het denkbeeld, om bij uitzondering
Ic vergunnen, dat aan het hoofd van de hier bedoelde
scholen een hulponderwijzer worde geplaatst, wiens be-
looning dan ook lager zou kunnen worden gesteld. Op
die wijze is in het gegronde bezwaar voorzien. Ten
einde evenwel ie waken tegen misbruiken, is de aanwij-
zing der gevallen, waarin zoodanige afwijking raag plaats