Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
176
Aet. 48.
zeres loopt over een of meer der vakken, vermeld in
art. 1.
(b) Daarbij wordt althans gehjke kennis als van den
hulponderwijzer gevorderd.
(Art. 44—48) Het was geenszins het voornemen der
Regering de bepaling van de mate der kundigheden aan
de provinciale Commissiën over te laten. Meer uitge-
werkte programmata voor de examens zullen noodig zijn.
De wet zelve kan zich uit den aard der zaak alleen be-
palen tot eene aanwijzing der vakken, waarover het exa-
men zal loopen; maar daaruit vloeit dan ook de nood-
zakelijkheid voort, om van regeringswege in de bijzon-
derheden op te geven, hoe ver het examen in de vakken
vermeld in de artt. 44—48 zich zal uitstrekken. Zoowel
zij die het examen afnemen, als zij die het ondergaan,
moeten weten, waaraan zich te houden, en wat van hen
wordt verlangd; ook moet te dien opzigte in de onder-
scheidene provinciën eenheid bestaan. De Regering be-
schouwt het dan ook als eene harer eerste verpligtingen,
welke na het tot stand komen der wet op haar zullen
rusten, na raadpleging der provinciale inspecteurs, be-
hoorlijke programmata, voor de onderscheidene examens
in de wet voorgeschreven vast te stellen. (Mem. van
Beantw. op het Versl. 1' Kam. der St.-Gen. 9. Aug.
1857.)
(b) Ten einde der examinerende commissie eenigen
leiddraad te geven, is bepaald, dat de bedoelde onderwij-
zers althans gelijke mate van kennis als de hulponderwij-
zer moeten bezitten. Zoo doende wordt wel van de huis-
onderwijzeres in het rekenen iets meer gevorderd dan van
de hulponderwijzeres, maar dit schijnt geoorloofd en zelfs
noodig, omdat zij meer zelfstandig werkzaam is. (Mem.
V. Beantw. van 16. Junij 1857.)