Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
172
Art. 44.
(i) De Regering acht het wel niet mogelijk bij een
examen voor den onderwijzersrang, waar doorgaans een
tal van examinandi optreden, een goed practisch examen
af te nemen. Er zouden dan kinderen moeten tegenwoor-
dig zijn en die kinderen zouden onderwezen moeten wor-
den door al die geëxamineerden. Dit acht de Regering
niet wel mogelijk. Men zal voor den schijn dat examen
komen afnemen, maar men zal uit de proeven die de ge-
ëxamineerden zullen afleggen niet kunnen oordeelen over
hunne wezenlijke geschiktheid tot het geven van onderwijs
op de school. Ik meen dat de bepalingen van de wet
van 1806 dan ook doorgaans, bij het examen voor den
onderwijzersrang, zijn verwaarloosd geworden , en dat
dus, in de toepassing, het reglement B niet is gevolgd.
Bij vergelijkende examens heeft men er wel eens gebruik
van gemaakt maar niet bij examens voor den onderwij-
zersrang. Bovendien het theoretisch gedeelte van de on-
derwijskunde zal ook thans bij het examen in aanmerking
komen. Volgens dit art. wordt een examen gevorderd in
de beginselen van onderwijs en opvoeding. Men zal dus
door het onderzoek over de theorie van onderwijzen eeniger-
mate kunnen oordeelen in hoever de geëxamineerde de
geschiktheid zal hebben om als onderwijzer op te treden.
(Min. van Binnenl. Zaken, BijbL 1857, bladz. 1198.)
(i) Proeven van geschiktheid tot het geven van onder-
wijs , als men daaronder verstaat het geven van onderwijs
aan de kinderen die bij dat examen zullen tegenwoordig
zijn, dan verlangt de Regering het niet. Zoo als gezegd
is, beschouwt zij het onmogelijk om een voldoend prac-
tisch examen te doen afnemen. Verwijs naar dc bepaling
van dit art.: „beginselen van onderwijs en opvoeding."
"Wat is het anders hetgeen in art. 10 der verordening op
de examens van 1806, van den onderwijzer gevorderd
wordt? „Het onderzoek naar de bekwaamheid of kunde
ten einde gebragt zijnde, zal overgegaan worden tot het
beproeven der geschiktheid in het onderwijzen, ten welken
einde gevraagd zal worden nopens de wijze, waarop men