Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
166
Art. 42 en 43.
wachten, alvorens examen te kunnen doen. Dit nu zou
noodeloos streng wezen. Het woord tijdig daarentegen
laat de mogelijkheid bestaan om den zoodanigen nog aan
te nemen. Bezwaar of misbruik zijn hier niet te verwach-
ten. (Mem. van Toel. 21. Febr. 1857.)
(c) Dat bij het geven van onderwijs ruim zoo veel
aankomt op practische geschiktheid als op het bezit van
bepaalde kundigheden, stemt de Regering toe, maar zij
acht het bedenkelijk in de wet op te nemen, dat de acte
van bekwaamheid als hulponderwijzer niet verleend wordt
dan aan dengeen, die vroeger kweekeling geweest is, en
die van hoofdonderwijzer of hoofdonderwijzeres niet dan
aan hem of haar, die vroeger als hulponderwijzer of hulp-
onderwijzeres is toegelaten. Zoodanige bepaling, hoe
wenschelijk op zich zelve, zou strijden met het milde en
billijke beginsel, dat het onverschillig moet zijn waar
iemand zich gevormd heeft, zoo hij slechts aan de hem
gestelde eischen voldoet. (Mem. van Toel. 21. Febr. 1857.)
Art. 43. (a) Om tot het examen te worden toege-
laten, moet de gevorderde ouderdom zijn bereikt.
(b) Deze is bepaald voor de huisonderwijzers, huis-
onderwijzeressen, hulponderwijzers en hulponderwijzeres-
sen op 18 jaren, voor de hoofdonderwijzers en hoofd-
onderwijzeressen op 23 jaren.
(b) Voor de hoofdonderwijzers was de ouderdom van
22 jaren voorgesteld, omdat op dien leeftijd tot dusverre
de tweede onderwijzersrang kon worden verkregen. De
Regering heeft zich echter wel kunnen vereenigen met het
geen is aangevoerd, ten betooge, dat om aan het hoofd
eener school te staan, zoowel voor de hoofdonderwijzers
als voor de hoofdonderwijzeressen het tijdstip der meer-