Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
165
Art. 41 en 42.
(d) Het examen moet in 't openbaar worden afgenomen.
Men wist wel, dat een openbaar examen voor een bedeesd
jongeling dubbel bezwarend was, maar meende toch, dat
daarom deze gewigtige waarborg niet achterwege moest
blijven. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
Art. 42. (a) De tijd, gedurende welken de examens
worden gehouden, wordt bij openbare aankondiging ter
algemeene kennis gebragt.
(b) Die een examen wenscht af te leggen meldt zich
tijdig aan bij den schoolopziener van het district, waarin
hij woont, of, van buiten 's lands komende, voornemens
is zich te vestigen, met opgave van de acte, die hij
verlangt.
(c) Hij legt daarbij over een of meer getuigschriften
van zijn goed zedelijk gedrag en zijne geboorte-acte.
(d) De dag en plaats van het examen worden hem
door den schoolopziener bekend gemaakt.
(e) Hij legt het examen af in de provincie, waar hij
woont, of, van buiten 'slands komende, voornemens is
zich te vestigen.
(b) De Regering meent aan de uitdrukking tijdig de
voorkeur te moeten geven boven liet aanwijzen in de wet
van eenen uitersten termijn. Indien toch de wet voor-
schreef, dat do examinandus 14 dagen vooraf zich be-
hoorde aan te melden, zou hij na dat tijdstip niet meer
toegelaten mogen worden, al kon hij ook daarvoor de
meest afdoende redenen aanvoeren, en al ware de school-
opziener genegen zijne latere aangifte aan te nemen, het-
geen dan ten gevolge zou hebben dat hij een jaar móest