Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
164
Aut, 41.
cialen inspecteur en, zoo noodig, deskundigen. Verder is
bepaald, dat de commissiën twee malen 'sjaars bijeen
kwamen, in de hoofdplaats der provincie; de aanwijzing
der schoolopzieners, die in de commissie zitting hebben
en de bepaling van den tijd, waarop zij vergaderen,
geschiedt door den Minister van Binnenlandsche zaken,
en de examens met uitzondering van die der onderwijze-
ressen , in het openbaar worden gehouden. Langs dien
weg zullen naar inzien der Eegering, de examens goed en
zonder bezwaar kunnen worden afgenomen. Het klein
getal schoolopzieners geeft in de meeste provinciën gele-
genheid tot afwisseling, de taak wordt zoo doende minder
bezwarend. Voor het behoud van denzelfden maatstaf bij
de examens kan de inspecteur, die steeds aan die com-
missie deel neemt, zorg dragen, terwijl hij zich, in de
jaarlijksche bijeenkomsten met zijne ambtgenooten (art.
59), met deze kan verstaan over het in alle provin-
ciën in acht nemen van gelijken maatstaf, waardoor de
eenheid van examens verkregen wordt. De toevoeging
van deskundigen is, vooral bij de uitbreiding aan het
lager onderwijs te geven, hoogst wenschelijk. Het bijeen-
komen twee malen 's jaars is voor hen die de examens af-
nemen eene verligting, voor hen die ze wenschen af te
leggen, in vergelijking met dc laatste voordragt, een
voordeel. De openbaarheid der examens voor de onder-
wijzers kan nuttig werken, terwijl de uitzondering voor
de onderwijzeressen wordt gebillijkt door de vroeger daar-
voor aangevoerde redenen. (Mem. v. Beantw. van 16.
Junij 1157.)
(d) Om den goeden loop der examens te beter te ver-
zekeren , bleven verscheidene leden sterk aandringen op
het houden daarvan in het openbaar; eene openbaarheid,
die, gelijk de Eegering zelve erkent, in meer dan één
opzigt nuttig werken kan. In het oog van anderen zijn
echter de tevens aangeduide bezwaren tegen die openbaar-
heid, ook met het oog op de onderwijzeressen, overwe-
gend. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)