Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
163
Art. 33.
(Ie verschillende vakken laten bijstaan door in dat vak
bijzonder bedrevene onderwijzers, de examens zouden te
beter doel treffen. Overal waar men tot nu toe zich niet
door betweterij of valsche schaamte van het aangrijpen
van dit hulpmiddel heeft laten terug houden, heeft men
er de nuttige gevolgen van ondervonden. Hoeveel zorg
voortaan ook aan de keus van goede schoolopzieners
worde besteed, altijd zullen er eenigen zijn die, hoe ver-
dienstelijk anders ook, voor het afnemen der examens
mindere geschiktheid bezitten. (Voorl. Versl. van 6. April
1857.)
(b) Ook de indeeling van alle schoolopzieners in de
commissiën was, met het oog op het belang van het
schooltoezigt, dat dan overal weken lang geheel zou moe-
ten stilstaan, hoogst verkeerd. Verre van het personeel
der commissiën uit te breiden, achtte men het daarvoor
aangenomen cijfer van negen leden veel te groot. Aan
drie, hoogstens vijf leden kon de taak zeer goed wor-
den toevertrouwd, vooral wanneer men het van deze zijde
sterk voorgestaan denkbeeld aannam om de commissiën
te magtigen tot het inroepen der medewerking van des-
kundigen voor hare taak. (Voorl. Versl. van 6. April
1857.)
(c) Afwisseling van het personeel der examinerende
commissiën was uitstekend wenschelijk, vooral ook opdat
overal dezelfde maatstaf bij het examen gelden zou en de
acte van bekwaamheid hier verkregen niet minder waarde
zou hebben dan de elders verworvene. (Voorl. Versl.
van 6. April 1857.)
(c) De Regering heeft het in hare hand, het examine-
rend personeel af te wisselen, in dien zin, dat den school-
opzieners uit de eene provincie het afnemen der examens
in eene andere provincie worde opgedragen. (Voorl.
Versl. van 6. April 1857.)
(c) Men meent de zwarigheid te vermijden , en even-
wel het doel goed te bereiken, door de commissiën zamen
te stellen uit vier schoolopzieners, benevens den provin-