Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
essai
160
Art. 39 en 40.
dat de onderwijzer niet slechts uit de school, maar ook
uit de gemeente verwijderd worde, en zou, om voor goed
van hem bevrijd te zijn, te minder zwarigheid kunnen
maken in de afgifte eener verklaring, die toch zoo dik-
wijls als eene bloote formaliteit beschouwd wordt. (Voorl.
Versl. van 6. April 1857.)
TITEL IV.
VAN ÜE ACTEN VAN BEKWAAMHEID TOT
HET GEVEN VAN ONDEEWIJS.
Art. 40. De acten van bekwaamheid tot het geven
van school- en van huisonderwijs worden verkregen door
het afleggen van examens.
Velen hielden zich aan het beginsel om alle hoofdonder-
wijzers aan een en hetzelfde examen te onderwerpen, en
daarop geene andere uitzondering toe te laten, dan die
met eene hoogst wenschelijke uitbreiding van het lager
onderwijs naar de behoefte, in verband staat. Wilde men
aan ons lager schoolwezen een hoogeren bloei verzeke-
ren, dan moest de onderwijzersstand opgebeurd, en door
goede inrigting der examens zekerheid verworven worden,
dat ieder onderwijzer, die de acte van bekwaamheid be-
zit, inderdaad een bekwaam man zij. Zulk een bekwaam
man, zou niet alle verdere oefening laten varen, al ware
daaraan geen bepaald voordeel, geen bepaald uitzigt
op bevordering meer verbonden. (Voorl. Versl. van 6.
April 1857.)
De Regering blijft bij het gevoelen, dat voor zooveel
het lager onderwijs betreft, alle hoofdonderwijzers aan een