Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
Aet. 87 en 38.
voorgedragen, (iliu. van Binnenl. Zaken, Bijbl. 1857,
bladz. 1181.)
Art. 38. (a) Omtrent de afgifte van het bewijs, ver-
meld bij lit. c van art. 37, wordt uiterlijk binnen vier
weken, te rekenen van den dag, waarop de aanvrage
daartoe geschied is, door burgemeester en wethouders
beslist.
(b) Van die beslissing, of wanneer binnen dien ter-
mijn de beslissing van de belanghebbenden niet is
kenbaar gemaakt, wordt beroep toegelaten op Gedepu-
teerde Staten.
(c) Na afwijzing door Gedeputeerde Staten, of indien
binnen den tijd van zes weken hunne beschikking aan
de belanghebbenden niet is kenbaar gemaakt, kan bij
Ons in beroep worden gekomen.
(a, b en c) Dit art. is in de wet opgenomen op voorstel
van jp. elout van soetekavoude, Lid van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal, ivelke daaromtrent de volgende
toelichting geeft.
Bij de wet wordt bij art. 6 voorgeschreven, dat niemand
lager onderwijs mag geven, die niet in het bezit is van
de bij de wet gevorderde bewijzen van bekwaamheid en
zedelijkheid. Bij art. 194 der Grondwet wordt niet meer
gevorderd dan die twee vereischten. Bij het nu aangeno-
men art. 37 wordt daarenboven het bewijs gevorderd, dat
die stukken door burgemeester en wethouders zijn gezien
en in orde bevonden. Wat, wanneer burgemeester en
wethouders weigerachtig bleven om dit bewijs af te geven?
Wat, wanneer de belanghebbenden geen antwoord beko-