Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
155
Art. 37.
delijkheid kunnen overleggen als van de openbare onder-
wijzers worden gevorderd. Dit geldt insgelijks voor het
huisonderwijs.
Daar evenwel bij het bijzonder onderwijs geene aanstel-
ling van Gemeente wege te pas kan komen, behoort deze
vervangen te worden door een beMdjs, dat burgemeester
en wethouders der Gemeente, waar het onderwijs zal go-
geven worden, die stukken hebben gezien en in orde be-
vonden. Zoo doende verkrijgt men de zekerheid, dat het
bijzonder onderwijs door geen onbevoegden zal worden
geven. (Mem. v. Toel. van 30. Dec. 1855.)
c. Ware het nu behandelde artikel duister, gedoogde
het tweederlei opvatting, de Regering zou den herhaalden
aandrang op waarborgen voor de vrijheid overeenkomstig
art. 194 der grondwet begrijpen. Maar het art. is volko-
men helder, het vordert voor het geven van bijzonder
of huisonderwijs alleen het bezit en vertoon van bewij-
zen van bekwaamheid en zedelijkheid, overeenkomstig deze
wet; niet anders, niets meer. Wat is er dus te duchten?
Welke aanleiding is er voor wantrouwen? Welke belem-
meringen zijn er denkbaar, die niet dadelijk van hooger
hand zouden worden opgeheven ? Op welken grond en
door wien zou het belet kunnen worden op eene bijzon-
dere school, zoo veel of zoo weinig vakken te onderwij-
zen als men verlangt, of wel leerstellig godsdienst onder-
wijs te geven? Op al die vragen kon, naar inzien der
Regering, geen ander dan een ontkennend antwoord vol-
gen en na de nu op nieuw gegeven verzekeringen ver-
trouwt zij dan ook, dat de bezwaren, die nog overge-
bleven mogten wezen, vervallen zullen zijn. (Mem. van
Beantw. van 16. Junij 1857.)
c. De bedoeling der Regering, is geene andere en kan
geene andere zijn dan aan het geven van bijzonder on-
derwijs die vrijheid te verzekeren, welke de Grondwet
daaraan toekent.
De Regering meent dat dit geschied is in de bepalin-
gen , welke zij omtrent het geven van dat onderwijs heeft