Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
Art. 33.
a en h. In allen gevalle, zal er een behoorlijk verband
tusschen de wet op het onderwijs en de patentwet be-
hooren te bestaan , zoodat niet, gelijk thans hier en daar
schijnt te geschieden, een patent als onderwijzer of on-
derwijzeresse wordt uitgereikt aan zoodanigen, die gee-
nerlei radicaal voor het geven van onderwijs bezitten.
(Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
a en b. Op het voorstel van den heer si.oet tot Old-
htjis, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, om
ook de bijzondere onderwijzers vrijdom van patent te ver-
leenen , antwoordt de Minister van Finantiën g. vrolik
dit:
De zaak zelve wil ik gaarne in overweging houden. Zij
behoort niet in deze wet te hais. Het voorstel betreifende
het patent behoort bepaald te huis in de wet op het pa-
tent. Ik wil gaarne de verzekering geven, dat evenzeer
als mijn geachte ambtgenoot voor Binnenlandsche Zaken,
en als mijne andere ambtgenooten, ook ik levendige be-
langstelling gevoel voor het onderwijs in het algemeen, en
het lager onderwijs in het bijzonder. Ik stel hoogen prijs
op de onderwijzers, die hun geheele leven , aan eene zoo
moeijelijke taak wijden, en gewoonlijk voor eene zeer
schrale belooning. Ik zal dus gaarne, wanneer daartoe
de indiening der patentwet gelegenheid zal geven, over-
wegen in hoe verre aan het verlangen kan worden voldaan,
een verlangen, waarin, naar ik mij verbeeld, door velen
zal worden gedeeld. De bepaling behoort hier echter niet
te huis. (Bijbl. 1857, bladz. 1231.)
a. Met betrekking tot de bewijzen van bekwaamheid en
zedelijkheid maakt de Grondwet geen onderscheid tusschen
de openbare en bijzondere onderwijzers. De wet moet dus
ten aanzien van de laatsten dezelfde eischen stellen als
voor de eersten. Om als hoofd- of als hulponderwijzer in
eene bijzondere school werkzaam te zijn, moet men even-
eens als in de Openbare school de vereischte acte van
bekwaamheid bezitten en tevens gelijke bewijzen van ze-