Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
HH
152
Abt. 35 en 36.
vermogen der ouders, noch dat der kinderen zelve,
voor zooverre deze eigen middelen bezitten in aanmer-
king komen. Overigens ligt het in den aard der zaak
en het strijdt ook niet met het beginsel van art 254
voornoemd, dat het schoolgeld verschillend wezen mag
naar gelang van den omvang van het onderwijs, en
dat op de laagste klassen der school minder mag wor-
den gevorderd dan op de hoogere.
Indien het dus niet geoorloofd is van den vermogende
te dezer zake meer te vorderen dan van hem, die zich
in minder gunstige geldelijke omstandigheden bevindt,
schijnt nogtans eene afwijking van het bedoelde beginsel
te mogen plaats hebben ten gunste der ouders, die meer
dan een kind naar de openbare school zenden, en hun
te mogen worden vergund voor dat grooter aantal iets
minder te betalen, gelijk nn veelal plaats heeft. Zooda-
nige afwijking is billijk en zal ook het gebruik maken
van de openbare school en de verspreiding van het la-
ger onderwijs bevorderen. (Mem. v. Toel. van 30. Dec.
1855.)
(a) Door de bepaling dat voor de kinderen van de-
zelfde klasse eener school het schoolgeld gelijk is, blijft
het onverlet op verschillende scholen en op verschillende
klassen derzelfde school, naar gelang van den meerderen
of minderen omvang van het onderwijs, een hooger of
lager schoolgeld te heffen, terwijl het beginsel, dat van
de meervermogende ter zake van hetzelfde onderwijs niet
meer mag worden gevorderd dan van de minvermogende,
behouden is gebleven. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij
1857.)
Art. 36. Indien AVij, na onderzoek door Gedepu-
teerde Staten en de Provinciale Staten gehoord, oordee-
len, dat eene gemeente door de uitgaven, tot eene be-
hoorlijke inrigting van haar lager onderwijs vereischt, te
zwaar zou worden gedrukt, wordt hetgeen ten laste der