Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
148
Art. 33 en 34.
feld een middel, dat nutti<; werken kan en ook met vrucht
hier en daar is toegepast, doch dat is meer een wapen
in de hand der burgelijke besturen, dan in die der diako-
niën of kerkelijke armenbesturen, aan welke, in den
geest der wet tot regeling van het armbestuur, niet wel
verbindende voorschriften dienaangaande kunnen worden
gegeven.
Naar inzien der Regering blijft er dus niets over dan,
bij de ten uitvoerlegging der wet op het lager onderwijs,
de aandacht der Gemeentebesturen nader op dit onder-
werp te vestigen en hun de hooge noodzakelijkheid voor
te houden om met al de middelen, die te hunne diensten
staan, het schoolgaan der kinderen van bedeelden en min-
vermogenden te bevorderen. (Mem. v. Toel. van 30. Dec.
1855.)
(c) De Regering ondersteunt den wensch van allen die
daarheen strekt, dat het onderwijs zooveel algemeen ge-
noten worde, maar zij deinst terug voor het gevoelen dat
de Staat zich mag aanmatigen deze weldaad aan de in-
gezetenen op te dringen. Het is daarom dan ook dat
zij niet kan ondersteunen noch eenig direct, noch eenig
indirect middel zoo als dat is voorgesteld om het ter
school gaan der kinderen verpligtend te maken. De Re-
gering acht dat een welingerigt onderwijs, de meer en
meer om zich grijpende beschaving, gevoegd bij den ze-
delijken invloed, dien de overheid en allen die met de
ouders in aanraking komen, kunnen aanwenden tot be-
vordering van dat schoolgaan, genoeg zullen wezen om
den kring der (schoolgaande) kinderen meer en meer
uit te breiden. (Min. v. binnenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz.
1116.)
Art. 34. (a) Het invoeren, wijzigen of afschaffen
van schoolgeld geschiedt met inachtneming van de artt.
232—236 der wet van den 29"™ Junij 1851 {Staafs-
hlad n°. 85).