Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
147
Art. 33.
ken blijve. Dit verstoken blijven is zeer wel met eene
getrouwe naleving van art. 15 dezer wet vereenigbaar.
Het geval doet zich maar al te dikwijls voor, dat in eene
gemeenteschool, voor betalende en nietbetalende kinderen
geschikt, ledige plaatsen genoeg open zijn om de armen-
kinderen op te nemen, die, van alle verstandelijke en
zedelijke opleiding verstoken, in de gemeente rondzwer-
ven, en dat echter die opneming geen plaats vindt. Dat
kwaad nu moet het Gemeentebestuur bestrijden zooveel
het vermag, natuurlijk zonder dwang te gebruiken of zijne
bemoeijenis uit te strekken tot de kinderen, op bijzondere
scholen opgenomen. Het doet reeds veel, wanneer het
zich in de bijzonderheden met den omvang van het kwaad
bekend maakt, dat is, zich opgaven verschaft van het ge-
tal niet onderwezene kinderen in de gemeente. Van zelf
zal het daardoor tot het beramen van middelen van voor-
ziening komen. Men verlieze toch niet uit het oog, dat
wanneer onder andere standen der maatschappij behoefte
aan uitbreiding der scholen of van het onderwijs bestaat,
die behoefte zich dadelijk doet kennen; maar dat bij een
niet zorgvuldig toezigt, een aanmerkelijk getal kinderen
van de allerlaagste klasse der ingezetenen in het wild
kan opgroeijen, zonder dat het Gemeentebestuur zulks
weet of vermoedt.
Het geldt hier eene zaak van het uiterste belang. Het
toekomstig lot der natie is vooral ook van de algemeene
verspreiding van een goed lager onderwijs afhankelijk-
De zorg voor het onderwijs der armenkinderen werd
reeds in art. 29 van het Reglement A der wet van 1806
bijzonder aanbevolen. In de Grondwet van 1814 werd,
naar aanleiding der schets van van hogendoep, die zaak
„als van hoog belang" „de aanhoudende zorg der Rege-
ring" waardig voorgesteld. Tot op de jongste herziening
bleef de afzonderlijke vermelding van dit punt in de
Grondwet bestaan. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(c) Het weigeren van bedeeling aan ouders die himne
kinderen niet regelmatig ter school zenden, is ongetwy-