Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
138
Art. 31.
schijnlijk niet zóó zou worden bevorderd als het verdient.
Men waardeert het meest dat gene, waarvoor men zich
eenige opoffering getroost; wat kosteloos wordt aangebo-
den wordt dikwijls niet zeer hoog geschat. (Min. van
biunenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz. 201, 1® Kam. der
St.-Gen.)
De wenschelijkheid, dat art. 31 geene aanleiding moge
geven tot het doen ophouden van subsidiën, die uit bij-
zondere fondsen worden verstrekt, is door de Regering
betoogd. (Mem. van Beantw. op het Versl. van de 1°
Kam. der St.-Gen. van 9. Aug. 1857.)
Bij art. 4 van het besluit van den Souvereinen Vorst
van 20. Maart {Staatsblad n°. 39) was bepaald, dat in
afvcachting eener eindbeslissing (welke nimmer genomen
is) omtrent de vraag, of de kosten van het lager onder-
wijs gevoeglijk door andere middelen dan door subsidie
uit 's lands schatkist zouden kunnen worden bestreden,
aan de schoolonderwijzers uit 'slands kas, te rekenen
van 1. December 1813, zoodanige tractementen of subsi-
diën zouden worden uitbetaald als zij vóór de inlijving
dezer landen in Frankrijk respectivelijk uit 's lands of
uit eenige algemeene kas genoten hadden. Aan dit voor-
schrift is destijds gevolg gegeven; maar vermits het alleen
strekte om op den vroegeren voet voort te gaan en er
toen geen sprake was van regten, die de bedoelde onder-
wijzers op de betaling hunner tractementen konden doen
gelden, heeft de Regering alleen onderzocht welke onder-
wijzers in de termen vielen om te worden betaald en
hoeveel hunne tractementen of subsidiën vóór de inlijving
dezer landen in Frankrijk beliepen. Van toen af tot
heden toe is die betaling voortgezet, maar alleen op
grond van het medegedeelde voorschrift. (Mem. v. Toel.
21. Febr. 1857.)
De Regering is van oordeel, dat de gemeenten in Noord-
brabant , waar sedert meer dan twee eeuwen, de bezol-
diging der openbare onderwijzers van Staatswege heeft
plaats gehad, geene wettige aanspraak op het voortdurend