Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
130
Art. 28 en 29.
ling blijven. De Regering zou anders gemeend hebben
daarop ontkennend te moeten antwoorden. Zoo als zij
hierboven deed opmerken, kon de wet op de burgelijke
pensioenen hier niet in allen deele tot leiddraad worden
genomen. Van de gemeenten worden reeds belangrijke
sommen voor het openbaar onderwijs gevorderd; het zou
onbillijk wezen door het hoog opvoeren der pensioenen,
hare financiën nog verder te bezwaren. De openbare on-
derwijzers worden met groote welwillendheid behandeld,
de wet vraagt van hen slechts eene zeer matige bijdrage,
maar dan kunnen zij ook niet vorderen in alle opzigten
met de burgelijke ambtenaren, die zoo veel meer moeten
bijdragen, te worden gelijkgesteld. Zij behooren alleen
pensioen te kunnen verkrijgen , berekend naar de korting
op hunne jaarwedde, zonder meer; andere voordeden,
aan de betrekking verbonden, moeten daarbij buiten aan-
merkingen blijven. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij 1857.)
De gestelde regels wijken in sommigcf opzigten van de
bepalingen der wet op het pensioneren van burgelijke amb-
tenaren af, maar de regering is van oordeel, dat geheele
overeenstemming niet noodig en uit den aard der zaak ook
niet raadzaam is. Al dadelijk toch is belangrijke afwijking
betreffende de afloopende kortingen bezwaarlijk te vermijden.
Dergelijke offers, als door die afloopende kortingen wor-
den geleverd, behoeven, naar het oordeel der Regering,
van de onderwijzers niet te worden gevraagd, omdat
ze altijd, maar vooral bij de geringe tractementen,
zwaar drukken. Maar bovendien, minder zware offers dan
de burgelijke ambtenaren brengen , komen hier ook daarom
in aanmerking, omdat de schatkist slechts % gedeelte van
het pensioen, aan de onderwijzers te verleenen, zou
dragen, want Yi zou door de betrokken gemeente wor-
den vergoed. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij 1857.)
Art, 29. Door de gemeenten, uit welke, krachtens
deze wet, hoofd- of hulponderwijzers worden gepensio-