Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
128
Akt. 26, 27 en 28.
door de plaatselijke schoolcommissie het best beoordeelea
of de onderwijzer al dan niet voor de verdere waarneming
van zijn ambt geschikt is. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij
1857.)
(b) De opmerking, dat het getal oudere hulponderwij-
zers die op vijfenzestigjarigen leeftijd nog niet hooger zijn
opgeklommen , wel nimmer groot zai zijn, is juist. (Mem.
V. Beantw. van 16. Junij 1857.)
Art. 27. Het pensioen beloopt voor elk jaar dienst
een zestigste deel van de jaarwedde, die over de laat-
ste twaalf maanden, het eervol ontslag voorafgegaan,
heeft gediend tot grondslag van de betaling der bijdrage,
bij art. 28 bepaald, doch mag nimmer het twee derde
gedeelte dier jaarwedde te boven gaan.
Daar door het woord jaarwedde niet wel anders dan
de vaste jaarwedde, uit de gemeentekas kan worden ver-
staan, rijst de vraag, hoe het gaan zal met de onderwij-
zers die als zoodanig inkomsten uit andere fondsen heb-
ben. Zal in dat geval de onderwijzer op niets meer aan-
spraak hebben, dan op twee derde van een zeer beperkt
tractement? In elk geval zou, indien het denkbeeld wierd
aangenomen om aan den onderwijzer boven zijne vaste
jaarwedde nog een veranderlijk inkomen uit de schoolgel-
den toe te leggen, dat veranderlijk inkomen mede tot
maatstaf zoowel van de korting als voor het pensioen
moeten strekken. Dit zou geheel zijn in den geest der
wet op de burgerlijke pensioenen, die ten aanzien van
veranderlijke inkomsten van ambtenaren rationele bepalin-
gen behelst. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
Art. 28. Als bijdrage voor pensioen wordt door de
hoofd- en hulponderwijzers, te rekenen van het tijdstip