Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
127
Art. 26.
(c) Bij de berekening van het pensioen komen al-
leen in aanmerking diensten, onder deze wet als hoofd-
of hulponderwijzer, en, vóór dien tijd, als onderwijzer
aan eene openbare school, ten behoeve van het lager
onderwijs bewezen.
(d) Voor hem, die niet eervol wordt ontslagen, gaat
aanspraak op pensioen verloren.
(a) De Regering moet blijven hechten aan de bepaling,
dat het ontslag eervol moet zijn. Die uitdrukking is van
ruime beteekenis en alzoo verkie.slijk boven het noemen
der gevallen waarin het regt op pensioen verloren gaat,
hoedanige optelling steeds het ongerief heeft , dat, zoo
de ondervinding later nog een geval doet kennen, hetwelk
men er bij zou wenschen te voegen, dat niet zonder ver-
andering der wet geschieden kan. Eervol ontslag is ook
in deze wet te meer verkieslijk, omdat zij de gevallen,
waarin de gemeente onderwijzer kon worden ontslagen,
niet vermeldt. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij 1857.)
(b) Voor zoover het pensioneren, uit hoofde van on-
geschiktheid wegens ziels- en ligchaamsgebreken, betreft,
onderstelt men, dat de verklaring, waarvan het 2® lid van
art, 26 spreekt, niet zal worden afgegeven dan na behoor-
lijk onderzoek, hetgeen dan het hooren der plaatselijke
schoolcommissie en waar dit pas geeft dat van deskundi-
gen insluit. (Voorl. Ver.sl. van 6. April 1857.)
(b) De verklaring omtrent de ongeschiktheid geschiedt
door den districts-schoolopziener en de Gedeputeerde Sta-
ten. Zij zal ongetwijfeld door een behoorlijk onderzoek
worden voorafgaan, doch het schijnt onnoodig nadere
voorschriften te geven omtrent het hooren der plaatselijke
schoolcommissie en waar dit pas geeft van deskundigen.
De schoolopziener is hier bij uitnemendheid deskundige,
hij kan door eigen onderzoek en zoo noodig voorgelicht