Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
126
Akt. 25 en 26.
zich aan zijn ambt te onttrekken en pensioen te vorderen.
3Ien zou dit niet raadzaam keuren, te minder nog omdat
in art. 26 in plaats van een diensttijd van veertig jaren,
een van tien jaren is aangenomen. (Voorl. Versl. van 6.
April 1857.)
Het zou uitermate hard zijn, als de hoofdonderwijzer
pensioen erlangt, den hulponderwijzer van alle zoodanige
op zijnen ouden dag verstoken te laten. Het getal der-
genen die op vijfenzestigjarigen leeftijd nog niet hooger
zijn opgeldommen, zal wel nimmer groot worden. (Voorl.
Versl. van 6. April 1857.)
Op de onderwijzers, bij de Rijks lagere .scholen, ge-
vestigd te Roermond en te Maastricht ,• op hen, die door
den minister van binnenlandsche zaken worden aangesteld,
en geheel onafhankelijk zijn van het Gemeentebestuur, zijn
de nu voorgedragen bepalingen niet van toepassing. Even-
min op de onderwijzers bij de Rijks kweekschool, die
deels door den Koning, deels door den Minister worden
benoemd, en, voor zooverre die benoeming niet tijdelijk
is, aan de bepalingen der burgerlijke pensioenwet onder-
worpen zijn. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij 1857.)
Het bezwaar in den drukkenden last, ten gevolge dier
bepalingen aan 's Rijks schatkist op te leggen , zal niet
zoo over groot zijn. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij 1857.)
Art. 26. (a) Kegt op pensioen wordt, na bekomen
eervol ontslag, verkregen op bereikten vijf en zestigja-
rigen leeftijd, en veertigjarigen diensttijd.
(b) Insgelijks kan pensioen worden verleend aan hen,
die, na tienjarigen diensttijd, uithoofde van ziels- of
ligchaamsgebreken voor de waarneming hunner betrek-
king ongeschikt zijn en op dien grond eervol ontslag
hebben bekomen. Die ongeschiktheid wordt aangeno-
men op de verklaring van den districts-schoolopziener
en van Gedeputeerde Staten.