Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
Art. 23.
(c) De Regering kan aan de kerkelijke genootschappen
de verpligting niet opleggen tot het geven van onderwijs
in de godsdienst, maar zij moet het hun als een zedelijken
pligt overlaten, verzekerd dat zij er zich niet aan zullen
onttrekken. Maar de burgerlijke overheid zal, naar aan-
leiding van het wettelijk voorschrift, met de kerkelijke
besturen in overleg kunnen treden en dien ten gevolge
den tijd en de wijze regelen waarop aan de kinderen der
verschillende gezindheden in de schoolgebouwen onderwijs
in de godsdienst zal worden gegeven door hen, die tot
het geven van dat onderwijs de bevoegdheid bezitten.
(Mem. v. Toel. van 22. Sept. 1854.)
(c) Wordt het openbaar lager onderwijs zoo ingerigt
dat in de scholen, waar kinderen van verschillende ge-
zindheden zijn vereenigd, bij het a.anwezig zijn van eene
algemeen godsdienstige strekking, alles wat de godsdien-
stige begrippen kan kwetsen, worde geweerd, en tevens
dagelijks, op vastgestelde tijdstippen, aan de kinderen der
verschillende gezindheden afzonderlijk onderwijs in de gods-
dienst worde gegeven, dan zal, naar de innige overtuiging
der Regering, voldaan zijn aan de voorschriften der Grond-
wet en tevens voor de hoogere belangen van volk en Staat
behoorlijk zijn gezorgd. (Mem. v. Toel. van 22. Sept. 1854.)
(c) Het was van het grootste belang te doen uitkomen,
dat het onderwijs in de godsdienst geheel vreemd moet
blijven aan het maatschappelijk onderwijs. Maar ook de
bepaling omtrent het beschikbaar stellen der schoollocalen
voor het leerstellig onderrigt moest geenszins als verwer-
pelijk worden beschouwd. De wetgever geeft daardoor
een blijk van belangstelling in dat onderrigt, die geheel
strookt met het grondwettig beginsel der bescherming van
alle kerkgenootschappen. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(c) Het godsdienst onderwijs is ten eenen male afge-
scheiden van het schoolonderwijs. Het kon niet te duide-
lijk uitkomen, dat het geven van dat onderwijs niet tot de
taak der schoolonderwijzers behoort, maar tot die der
kerkleeraren. (Voorl. Versl. van 29. April 1856.)
«mi