Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
120
Art. 23.
nootschappen, verschillend wordt begrepen. (Art. 4, 2'
alinea der wet op het lager onderwijs van 15. Junij ISOl.)
In de gewone schooltijden zal geen godsdienstig onder-
rigt gegeven worden in het leerstellige, hetwelk door de
onderscheidene kerkgenootschappen verschillend wordt be-
grepen. (Art. 4, 2" alinea der wet op het lager onder-
wijs van 29. Julij 1803.)
Terwijl men bedacht zal zijn op het nemen van maatre-
gelen, om de schoolkinderen van het onderwijs in het
leerstellige van het kerkgenootschap, waartoe zij behoo-
ren, geenszins verstoken te doen blijven, zal het geven
van dit onderwijs niet geschieden door den schoolmees-
ter, schoon gehouden, om zijne leerlingen, voor zoo verre
zij met hem tot hetzelfde kerkgenootschap behooren,
daarin op gepaste wijze bevorderlijk te zijn. (Art. 23
van het Ontwerp-Reglement voor het lager schoolwe-
zen binnen de Bataafsche Republiek van 1. April 1806.
Zie M''. a. a. j. meylink, Offlc. Geschied, der wet van .
3. April 1806.)
Terwijl vastgesteld wordt het nemen van maatregelen ,
om de schoolkinderen van het onderwijs in het leerstel-
lige van het kerkgenootschap, waartoe zij behooren , geens-
zins verstoken te doen blijven, zal het geven van dit
onderwijs niet geschieden door den schoolmeester. (Art.
23 van het reglement A, behoorende bij de wet van 3.
April 1806.)
(c) Terwijl het aan de onderwijzers bij de lagere scho-
len en bij de Rijkskweekscholen voor onderwijzers ten
strengste vsrboden blijft, om in dezelve onderwijs te ge-
ven in het leerstellige van eenig kerkgenootschap, of eenige
uitlegging te geven of uitdrukking te bezigen, waardoor
aan eene of andere gezindheid aanstoot zou kunnen wor-
den gegeven, zullen voortaan, ter bevordering van het ge-
ven van zoodanig leerstellig godsdienstig onderwijs door
daartoe bevoegde personen, afzonderlijk en uitsluitend aan
de kinderen, tot de respective kerkelijke genootschappen
behoorende, dagelijks, te beginnen met het jaar 1842, de