Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
116
Aet. 23.
Het gewoon schooltoezigt zou toereikend zijn om alle
misbruik van dien aard te keeren. Waar het zich ver-
toonde, zou het aan beklag niet ontbreken. Ontslag door
den Gemeenteraad zou de straf zijn des onderwijzers,
die niet zoo zeer eene bepaling der wet, als wel een
grondwettig gebod had overtreden. Bleef de Gemeente-
raad nalatig in de vervulling van zijnen pligt, sloeg het
de bij hem ingekomen klagten in den wind, het gezag
van Gedeputeerde Staten was daar, om de uitvoering
van het grondwettig voorschrift te handhaven, terwijl ten
laatste de Koning zelf zou kunnen tusschen beide treden.
(Voorl. Versl. van 29. April 1856.)
(b) Met grond kunnen allen, wier kinderen in de open-
bare volksschool worden opgenomen , verlangen , dat daarin
niets worde geleerd, gedaan of toegelaten, wat strijden
zou met den eerbied, verschuldigd aan hunne godsdienstige
begrippen, allerminst alzoo, wat zou kunnen strekken om
die begrippen bij hunne kinderen te ondermijnen of te be-
strijden. Zij hebben er aanspraak op, dat de wetgever
dit bepaald voorschrijve en dat de Regering, uit kracht
van dat voorcchrift, wake en toezie, dat het naar des-
zelfs bedoeling getrouw worde nageleefd. Geschiedde dit
niet, zij zouden kunnen verlangen, dat aan hunne bezwa-
ren werd te gemoet gekomen. (Mem. v. Toel. van 21.
Februarij 1857.)
(b) Zelfs het lezen uit den bijbel behoefde niet onvoor-
waardelijk te worden geweerd, al behoort daarbij onbe-
twistbaar naar de omstandigheden gehandeld en zeer bij-
zonder op het voorschrift van het 2® lid van het artikel
gelet te worden. In elk geval zou de schoolonderwijzer
niemand kwetsen , die van de spreuken en verhalen, van
de gelijkenissen en lessen, in den bijbel vervat, een oor-
deelkundig gebruik maakte om zijne scholieren tot Chris-
telijke deugden op te leiden. (Voorl. Versl. van 6. April
1857.)
(b) Eene andere vraag is het, of in die onvermengde
school, wat het godsdienstig element van het onder-