Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
115
Art. 23.
denkenden. Hij prent aan de kinderen eerbied in en
wekt hen op tot onderlinge liefde en verdraagzaamheid.
(Art. 21 van het Nader Ontwerp van 21. Februarij en
van het Gewijzigd Ontwerp van 16. Junij 1857.)
(b) Wat overigens de straf betreft tegen de overtreding
van dit voorschrift uit te spreken, deze behoeft evenmin
in de wet vermeld te worden als die tegen pligtverzuim,
nalatigheid, wangedrag en andere redenen tot schorsing
cn ontslag der onderwijzers. De Gemeenteraad, de Plaat-
selijke Schoolcommissie of de Schoolopziener, zullen, in-
gevolge alinea 2 en 3 (c, d, e en f) van het voorgaand
artikel, tot het doen schorsen of ontslaan van den on-
derwijzer, die zich aan de overtreding van het voor-
schrift der 5de alinea (g) van art. 22 schuldig mogt maken,
de vereischte maatregelen nemen. (Mem. van Toel. van
30. Dec. 1855.)
(b) Men moet niet alleen de godsdienstige begrippen
der schoolgaande kinderen eerbiedigen, maar in het al-
gemeen ieders godsdienstige begrippen. Anders zou op
eene openbare school, waar uitsluitend Protestantsche of
Roomsch-Catholijke kinderen te zamen zijn, de onderwijzer
op stuitende wijze van de godsdienstbegrippen der afwe-
zigen kunnen spreken en godsdiensthaat kunnen opwek-
ken, zonder dat hem dit verboden ware. Dat kan de
bedoeling der Grondwet niet zijn. Het onderwijs moet
op de volksschool in zoodanigen geest en toon gegeven
worden, dat de verschijning van een kind, behoorende
tot eene gezindte, vroeger daar niet vertegenwoordigd,
in dien geest en toon geen de minste stoornis en veran-
dering te weeg brengt. De godsdienstbegrippen van allen
moeten er geëerbiedigd worden, of liever alle godsdienst-
twist moet, als ten eenenmale vreemd aan het lager on-
derwijs, van de volksschool uitgesloten blijven. (Voorl.
Versl. van 29. April 1856.)
(b) Moet niet de getrouwe opvolging van een zoo ge-
wigtig voorschrift door eene bijzondere strafbepaling wor-
den verzekerd? Men geloofde dit niet.