Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
Art. 23.
Je kinJeren zelven gezegd wordt: „ Gij , kinderen , zijt
uwen ouderen gehoorzaam, want dit is den Heere welbe-
hagolijk." Maar, het sehoolgebed! Zal er kunnen gebe-
den worden in den naam van Christus? Naar mijn inzien,
is niet het uitdrukkelijk noemen van den naam van Chris-
tus in het gebed, hetgeen een gebed tot een Christelijk
gebed maakt. Een gebed kan, ook zonder dat, een uit-
nemend Christelijk gebed zijn. Ik wijs op het model van
alle gebeden, dat ons Christenen gegeven is. Daarin wordt
de naam van Christus niet genoemd; en toch is het ons
gegeven om ons te leeren hoe wij bidden moeten.
Indien het uitdrukkelijk bidden in den naam van Chris-
tus werkelijk ergernis gaf, ik geloof, dat het uit Christe-
lijke kieschheid zou kunnen weggelaten worden om nie-
mands consciëntie te kwetsen. En toch zou op die wijze
een sehoolgebed kunnen gedaan worden dat werkelijk
Christelijk ware. Maar al ware het, dat de onderwijzer
zich daarin niet verstond, zou er toch gebeden kunnen
worden; dan zou de onderwijzer kunnen voorgaan, met
voor zijne schoolkinderen te bidden voor zich, in zijn
hart, en hij zou de kinderen kunnen opwekken om, naar
zijn voorbeeld, elk voor zich, in stilte een zegen op den
arbeid van God te vragen. Ein ik verwacht niet minder
zegen op een gebed alzoo gedaan, dan op eene formule,
misschien, ja dikwijls, krenkend en ergerlijk, niet alleen
door het noemen van een naam, maar door lengte en om-
haal van woorden. Derhalve is ook de zegen des gebeds
voor de gemengde school niet afgesloten.
De Bijbel kan op de gemengde school in den regel
niet toegelaten worden. In den regel mag hij op de ge-
mengde school niet gelezen of gebruikt worden. Daar
waar ook slechts e'én Roomsch-katholijk kind is, mag hij
niet gebruikt worden, omdat het geweten ook van dat
ééne kind moet worden geëerbiedigd. Maar nu zegge men
niet, om de goê gemeente schrik aan te jagen, om haar
in het harnas te jagen, dat alzoo Gods woord van de
school geweerd wordt. Want dat is geene juiste uit-
8