Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
110
Art. 23.
aau de Christelijke godsdienst toegewijd; hij ziet in onze
verzamelingen van sehoone kunsten roerende tafereelen,
door het Christelijk geïnspireerd penseel gemaald, van de
majestneuse rust van Hem, dien wij met eerbied noemen
als den hoofdpersoon des Christendoms, in wien het ge-
heele Christendom zich concentreert. Hij kan van onze
letterkunde geene bladzijde opslaan zonder overal teekenen
te vinden van Christelijke beschaving. Ik vraag, of dat
ergernis kan wezen voor den Israëliet ? Neen, om die af te
leggen zou het Nederlandsche volk zich denationaliseren, het
zou zijn volkskarakter moeten afleggen en zijne geschiedenis
verloochenen; dat is onmogelijk en kan evenmin van een
Christenvolk worden verwacht, als men van den Israëliet
zou kunnen vergen, dat hij ophield Israëliet te zijn. Der-
halve, hierin is geen ergernis gelegen. Maar ergernis en
niet-eerbiediging is het, op krenkende wijze, met minach-
ting, in tegenwoordigheid van anderen te spreken over
hunne godsdienstige overtuiging, het is, het in hunne
tegenwoordigheid in tegenstelling plaatsen van eene andere
overtuiging als eene betere; het is, met één woord, het
niet met naauwgezetheid van geweten vermijden, daar
waar personen van eene andere godsdienstige overtuiging
aanwezig zijn, en derhalve op de gemengde school, van
alle poging tot proselytisme. Het is, het zich niet daar-
van onthouden als van eene krenking van het regt des
gewetens, het zich niet onthouden van mededeeling van
alle denkbeelden, die omtrent de waarde van eigen leer-
begrippen twijfel zouden kunnen doen ontstaan: — dat is
het niet eerbiedigen van de godsdienstige overtuiging van
anderen , en dat is kwetsend. Maar naar dit begrip, het-
welk mij voorkomt juist te zijn, kan het den Israëliet niet
ergeren, als de naam van Christus aan de kinderen van
Christenen, in Zijn naam gedoopt, als hun dierbaar, op
de sehool, met eerbied en ontzag en bovenal met die
kieschheid, met die versehoonende en sparende kieschheid,
wordt genoemd; — terwijl daarentegen alle leerstellige
ontwikkeling, elk leerbegrip omtrent Zijn persoon en Zijn