Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
106
Art. 23.
reglement A (van de wet van 3. April) 1806. (Min. van
Binnenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz. 1111.)
(a) De wet wil geen godsdienstig onderwijs exprosesso.
(Min. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz. 1111.)
(a) De min. van justitie geeft betrekkelijk deze gewigtige
zaak, de volgende zeer belangrijke toelichting:
Wat is opleiding tot Christelijke deugd of deugdsbetrach-
ting? — want die woorden staan gelijk naar den geest
van dit voorstel, vergeleken met de wet van 1806, waarbij
in het reglement voor de examens juist dat woord deugds-
betrachting voorkomt, zoodat daardoor de uitdrukking
„Christelijke deugd" nog meer wordt gekarakteriseerd.
Van dat denkbeeld, dat zeer ruim is op zich zelf, wordt
door de Grondwet en door het derde lid van art. 23 ge-
ecarteerd al wat het te ruim zoude maken. Door die be-
perking kan en mag, opleiding tot Christelijke deugden op
de gemengde school in geen anderen zin worden opgevat,
dan dat alle leerstellige en dogmatische bestanddeelen,
alles met één woord wat tot het begrip des Christendoms,
van zijne waarheden, van zijne feiten, van zijne geschie-
denis behoort, van de gemengde school verwijderd moet blij-
ven. Ik meen dat die verklaring juist en dat zij duidelijk is.
Dat het alzoo zij, vordert de Grondwet en dit vordert
de regtvaardigheid. Allen , Protestanten , Roomsch-katho-
lijken en Israëliten, kunnen met regt vorderen dat aan
hunne kinderen niets worde medegedeeld, dat kwetsend,
dat strijdig is met ieders godsdienstige overtuigingen, en
daartoe behoort alles wat tot het begrip van het Christen-
dom, van het begin tot het einde toe, behoort. Daarmede
wordt geenszins, en ik moet daarop insteren, de onver-
schilligheid van dat begrip beweerd. Dat is een verwijt
dat gedurig wordt tegengeworpen en dat niet juist is. In-
tegendeel, ook ik ben overtuigd dat er een zaaijer moet
uitgaan om het woord Gods te zaaijen in verschillende
gronden, opdat, naar mate van de gesteldheid dier gron-
den, dit zaad kunne wortel vatten en vrucht dragen, en
■dat dit zaad alleen däär opschiet, waar het woord verstaan
Éisé