Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
Art. 23.
het gaarne na, paedagogisch beginsel. Als die opwekking
alleen op zoodanige wijs mag plaats hebben, dat aan den
eerbied voor de godsdienst-begrippen van andersdenkenden
niet wordt te kort gedaan, en alsdan ook, gelijk alin. 3
van het artikel uitdrukkelijk bepaalt, alle leerstellig gods-
dienst-onderwijs van de sehool blijft uitgesloten, is van het
opnemen van het beginsel in de wet geenerlei misbruik te
duchten. Alleen bleef ook dan nog verduidelijking der
uitdrukking wenschelijk. Het „dienstbaar maken van het
schoolonderwijs aan de opleiding tot Christelijke deugden"
bleef voor misverstand vatbaar. Er lag daarenboven iets
ongerijmds in, dat de wetgever zoodanige strekking van
het schoolonderwijs gebood, omdat er uit af te leiden
ware, dat hij eene geheel andere strekking zou kunnen
voorschrijven. De zaak is te heilig, te zeer boven allen
twijfel verheven, dan dat de wetgever ze anders dan als
van zelf sprekende vermelden mag. (Voorl. Versl. van
6. April 1857.)
(a) Welken zin zal de uitdrukking voor de toekomst
hebben? Omdat er vroeger misbruiken hebben plaats ge-
had, waarvan nog kan betwijfeld worden, of zij een ge-
volg waren van de bestaande verordening, dan of zij in
weerwil daarvan zijn ontstaan, is de gevolgtrekking daar-
uit afgeleid niet juist, dat voortaan dezelfde verschijnselen
zich zullen vertoonen. De geschiedenis behoort te leeren,
wat voor het vervolg te vermijden is; zij leert niet de
toekomst te voorspellen. De bedoelde woorden staan wel
is waar niet in de wet van 1806, maar in een daarbij
behoorend reglement, hetgeen echter als eene tweede kern
van de onderwijs-inrigting van dien tijd te beschouwen is,
en in de algemeene schatting met de wet op ééne lijn
stond, zoodat het voor het gezag, dat de uitdrukking
heeft verkregen, er minder toe afdoet, of zij in het regle-
ment, dan wel in de wet van 1806 voorkomt. Heeft die
uitdrukking verkeerde gevolgen gehad? Men neme zulks
eens voor bewezen aan, ook dan echter moet men herha-
len, dat er niet noodwendig uit volgt, dat zij voortaan