Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
Art. 23.
(a) Het zou werkelijk bezwaar in hebben woorden uit
de wet te laten, die sedert vijftig jaren de rigting van ons
schoolwezen hebben gekenmerkt. Verscheidene hadden in
de uitdrukking van het vorig ontwerp: „bevordering van
zedelijkheid en godsdienst," niets anders gelezen, dan wat
zij hier weder vonden. Maar nu de weglating der in 1806
gezegde woorden tot zoo veel ergernis aanleiding had ge-
geven , achtten zij toegevendheid op dit punt noodzakelijk.
Het bezwaar was toch voortgesproten uit een loffelijk be-
ginsel, de vrees namelijk dat men op de volksschool ooit
verpligt zou kunnen worden, geringschatting te dulden
van dat Christelijk beginsel, 't welk geheel onze maat-
schappij bezielt. In zekeren zin zijn de thans herstelde
woorden tegen de vijanden van het Christendom en de
bestrijders van zijnen beschavenden invloed gerigt. Voor
misverstand en verkeerde gevolgtrekking wordt genoeg-
zaam gewaarborgd door de alinea's 2 en 3 van het artikel.
In dat verband beschouwd, beteekende de uitdrukking
niets meer, dan dat ook het lager onderwijs doortrokken
moest zijn van eene Christelijke gezindheid, die alle mis-
kenning van de begrippen van andersdenkenden uitsluit
en vrij blijft van het op den voorgrond brengen van alle
dogmatische leerstellingen. (Voorl.Versl. van 6. April 1857.)
(a) De Nederlandsche Israeliet kan geen bezwaar zien
in het behoud eener „benaming," waaraan zijne Christen
medeburgers gehecht zijn. Daar worden tevens degenen,
die voor eene eenzijdige opvatting der woorden: „ Chris-
telijke deugden" beducht waren, gerustgesteld door de
verzekering, dat de Regering geene eenzijdige rigting be-
oogt of gevolgd wil hebben. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(a) Velen erkenden gaarne, dat indien men de uitdruk-
kingen: „opleiding tot maatschappelijke en Christelijke
deugden" beschouwen kon geheel op zich zelf, hare opneming
in de wet niets bedenkelijks zou hebben. Wat daartegen
nog mogt kunnen worden ingebragt, verviel uit dit oog-
punt door de uitdrukkelijke voorschriften van het 2de en
3de lid. Opwekking tot Christelijke deugd is, men zeidc