Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
Art. 23.
den eerbied, verschuldigd aan godsdienstige begrippen der
Israëliten, wanneer de Nederlandsche wetgever voor-
schrijft, dat de kinderen van het Nederlandsche volk zul-
len opgeleid worden tot Christelijke deugden. Waren die
deugden strijdig met de begrippen der Israëliten, de zaak
zou van anderen aard worden. Dit zal intusschen wel
niemand beweren. De ondervinding trouwens van eene
halve eeuw is daar, om te bewijzen, dat de Israëlitische
kinderen, met de kinderen der Christenen op scholen op-
genomen, waar, volgens de voorschriften van 1806, de
jeugd tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden
moest worden opgeleid, aan verstand of hart geen schade
hebben geleden. Het zou dan alleen de naam moeten we-
zen, waarin de strijd met dien eerbied voor der Israëliten
godsdienstige begrippen zou moeten bestaan. Maar de
Regering kan zich niet voorstellen, dat de Nederlandsche
Israëliten zoo ver zouden willen gaan van dit te beweren,
of dat zij eene benaming buiten de volksschool zouden
wenschen gesloten te zien, waaraan hunne Christen-mede-
burgers gehecht zijn. Evenmin kan de Regering aanne-
men, dat de grondwetgever den eerbied voor de begrip-
pen van andersdenkenden tot zoodanig uiterste zou hebben
willen drijven.
Eene wet op het lager onderwijs, waarin het Christe-
lijk element ontbrak zou door een talrijk en aanzienlijk
deel der natie met tegenzin worden ontvangen. Zulks moge
bij sommigen, bij velen misschien, een gevolg van voor-
oordeelen heeten, de zaak wordt er niet door weggeno-
men. Dat de gevolgen hiervan niet dan schadelijk kun-
nen zijn, zoowel voor den maatschappelijken toestand in
het algemeen, als voor den bloei van het volksonderwijs
in het bijzonder, zal wel geen betoog behoeven. Zeker
zullen het ongenoegen en de spanning omtrent dit kwets-
baar punt, helaas, maar al te veel ontstaan, er niet door
verminderen. Eene verzoenende staatkunde gebiedt daar-
aan zooveel en zoodra mogelijk een einde te maken. (Mem.
v. Toel. van 21. Februarij 1857.)