Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
Art. 28.
worde gemaakt, aan de bevordering van zedelijkheid en
godsdienst en aan het geloof in die groote waarheden,
waaromtrent al de Christen-kerkgenootschappen het eens
ïijn. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(a) Men verlangde, dat de wet op het voorbeeld van
die van 1806, de opleiding tot Christelijke en maatschap-
pelijke deugden als een hoofddoel van het lager onderwijs
aanwees. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(a) De Staat behoort dus te dezen aanzien een beginsel
aan te nemen, hetwelk voor de geheele natie past. Dat
beginsel kan, voor het Nederlandsche volk, hetwelk ja de
Israëlieten gastvrij in zich opgenomen heeft, maar een
Christen volk is, geen ander zijn, dan dat de openbare
school moet worden dienstbaar gemaakt aan de bevorde-
ring van Christelijke deugd, zonder dat daarom bij het
geven van die rigting aan het onderwijs van eenig stellig
leerbegrip worde uitgegaan. (Voorl. Versl. van 22. Mei
1855.)
(a) Het werd een beschamend verschijnsel geacht, dat
zoodanige On-Christelijke wet op het onderwijs eener Chris-
ten natie kan worden aangeboden. (Voorl. Versl. van 22.
Mei 1855.)
(a) Geen onderwijs is, hier te lande althans, denkbaar,
zonder dat zedelijkheid en godsdienstzin daarvan de grond-
slag en de strekking zijn. Maar dit is dan ook eene zoo
algemeen erkende waarheid, en vooral is elk onderwijzer
daarvan zoo zeer doordrongen, dat eene wet op het on-
derwijs hieromtrent geene bepaalde voorschriften behoeft te
geven. (Mem. v. Toel. van 30. Dec. 1855.)
(a) Al meent de Regering, dat de Grondwet niet toe-
laat, dat door de wet aan het lager onderwijs eene be-
paald Christelijk godsdienstige strekking voorde toegekend,
zij is overtuigd, dat het niet mogelijk zou wezen lager
onderwijs te geven, wat niet, tot zekere hoogte, van het
Christelijk beginsel, van de hoofdwaarheden des Christen-
doms uitgaat; dat de Christelijke zin de natie zoo zeer
heeft doortrokken, dat het onderwijs Christelijk zal zijn.