Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
Aet. 23.
Overeenkomstig dit ontwerp is dit artikel in het reglement
A (behoorende bij de wet van 3. April 1806) opgenomen ,
onder art. 22, met eene geringe wijziging van het school-
onderwijs in alle schoolonderwijs.
In het Ontwerp van wet van 26. November 1829 komt
niets aangaande de strekking van het onderwys, betrek-
kelijk zedelijkheid en godsdienst voor; ook niet ia het
Ontwerp van 3. September 1849.
Het lager onderwijs strekt tot algemeene ontwikkeling
en vorming. (Art. 1. van het Ontwerp van wet van 22.
September 1854.)
Het onderwys wordt dienstbaar gemaakt aan de bevor-
dering van zedelijkheid en godsdienst. (Ontwerp van wet
van 30. December 1855.)
Het onderwijs wordt onder het aanleeren van gepaste
en nuttige kundigheden dienstbaar gemaakt tot de ontwik-
keling van de verstandelijke vermogens der kinderen, en
aan hunne opleiding tot alle Christelijke en Maatschappe-
yke deugden. (Ontwerp van wet van 21. Februarij 1857.)
In het gewijzigd Ontwerp van wet van 16. Junij 1857
is dezelfde bepaling behouden.
(a) Ontneemt men aan het lager onderwijs het bezie-
lend beginsel des Christendoms, dan onthoudt men daar-
aan datgene wat de ware levenskracht van dat onderwijs
moet uitmaken. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(a) Het Christendom is de grondslag onzer beschaving,
zoodat Christelijk godsdienstige beginselen een der hoofd-
elementen van het openbaar lager onderwijs moeten uit-
maken. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(a) De zin onzer natie vordert een godsdienstig en wel
een Christelijk godsdienstig onderwijs. De overgroote
meerderheid der ingezetenen verlangt niet, dat reeds op
de school bijzondere leerstellingen van kerkgenootschappen
worden aangeraakt of in de jeugdige gemoederen zullen
worden geworpen, waaruit later het kwaad der onver-
draagzaamheid zou kunnen ontkiemen, maar zij stelt er
wel hoogen prijs op, dat het lager onderwijs dienstbaar