Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
Aet. 2.3.
Aan het uitvoerend bewind wordt opgedragen, om op
de gronden in deze wet gelegd, alle noodige schikkingen
te beramen en vast te stellen, ten einde in de scholen
de eerste beginselen worden ingeprent, om de kinderen
te vormen tot deugdzame menschen en tot nuttige leden
der maatschappij. (Art. 28 der wet op het lager onder-
wijs van 15. Junij 1801.)
Het onderwijs op de openbare lagere scholen zal zoo-
danig moeten worden ingericht, dat de vermogens der
kinderen, door hetzelve ontwikkeld, en zij tot redelijke
wezens worden gevormd; dat wijders in hunne harten
worden ingeprent de kennis en het gevoel van dat alles,
wat zij aan het Opperwezen, aan de maatschappij, aan
hunne ouders, aan zich zeiven, en aan hunne medemen-
schen verschuldigd zijn. (Art. 4 van de wet op het lager
onderwijs van 29. Julij 1803.)
Het onderwijs zal zoodanig moeten worden ingerigt,
dat het, onder het inprenten van nuttige en gepaste kun-
digheden, strekke ter behoorlijke ontwikkeling der ver-
standelijke vermogens, en voornamelijk ter weêrhouding
en beteugeling van alle zedelijk verkeerde en daarentegen
ter ontlokking, aankweeking en versterking van alle zede-
lijk goede neigingen en gezindheden in het hart der kin-
deren , ten einde deze worden opgeleid tot eene redelijke,
gewillige en blijmoedige betrachting van alle pligten, die
Deugd en Godsdienst, in allerlei betrekkingen van den
mensch vorderen. (Ontw. regiem, voor het lager schoolwezen
en onderwijs binnen de Bataafsche Republiek van 29. Sept.
1805, Art. 28 door a. tan den ende. Zie IVP. a. a. j. met-
link, Officiële Geschiedenis der wet van 3. April 1806.)
Het schoolonderwijs zal zoodanig moeten worden inge-
rigt, dat onder het aanleeren van gepaste en nuttige kun-
digheden, de verstandelijke vermogens der kinderen ont-
wikkeld, en zij zeiven opgeleid worden tot alle Maatschap-
pelijke en Christelijke deugden. (Art. 22 van het Ontw.regl.
van 1. April 1806 door a. vak den ende. Zie M''. a. a.
j. metlink, Offic. Gesch. der wet van 3. April 1806.)