Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
Art. 22 en 23.
soon, als hij zich gunstig deed kennen, later van zelf
boven alle andere in aanmerking kwam voor de' openval-
lende hoofdonderwijzersplaats. (Mem. van Beantw. van
16. Junij 1857.)
(i) Het stellen van een uitersten termijn voor de defi-
nitive vervulling der betrekking van hoofdonderwijzer is
noodzakelijk, omdat anders een Gemeentebestuur uit zor-
geloosheid, onverschilligheid, welligt ook uit misplaatste
zuinigheid, den tijdelijken toestand soms onbepaald zou
kunnen laten voortduren. (Mem. v. Beantw. van 16. Juny
1857.)
Art. 23. (a) Het schoolonderwijs wordt, onder het aan-
leeren van gepaste en nuttige kundigheden, dienstbaar
gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke ver-
mogens der kinderen en aan hunne opleiding tot aUe
Christelijke en maatschappelijke deugden.
(b) De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te
doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied,
verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van anders-
denkenden.
(c) Het geven van onderwijs in de godsdienst wordt over-
gelaten aan de kerkgenootschappen. Hiervoor kunnen
de schoollocalen buiten de schooluren ten behoeve van
de leerlingen, die er ter school gaan, beschikbaar wor-
den gesteld.
(a) Naardien dit art. en in het bijzonder deze alinea,
tot de breedvoerigste beschouwing aanleiding heeft gege-
ven, zoo hebben wij gemeend, hierbij te moeten voegen, wat
omtrent dit punt in de verschillende wetten en verorde-
ningen op het onderwas, sedert 1795, en wel bepaaldelijk