Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
3. einem guten §8ater, eenen of aan eenen goeden vader.
4. einen guten 25ater, eenen goeden vader.
V r O u w e 1 ij k.
1. eine gute SKutter, eene goede moeder.
2. einer guten ?Oïuttcr, eener of van eene goede moeder.
3. einer guten SKutter, eener, eene, ^aan eene goede moeder.
4. eine gute ?Kuffer, eene goede moeder.
Onzijdig.
1. ein guteé jvinb, een goed kind.
2. eineé guten jïinbeé, eens goeden kinds of van een goed
kind.
3. einem guten jïinbe, een goed kind, eenen goeden kinde
of aan een goed kind.
4. ein guteé Jïinb, een goed kind.
Op dezelfde wijze verbuigt men de bijvoegelijke naamwoor-
den, die, iji plaats van het niet-bepalende lidwoord, een der
volgende woorden voor zich hebben:
fein, feine, fein, geen, geene, geen;
mein, meine, mein, mijn, mijne, mijn;
bein, beine, bein, uw, uwe, uw;
fein, feine, fein, zijn, zijne, zijn;
i^r, i^re, ii)r, haar, hare, haar;
unfer, unfere, unfer, onze, onze, ons;
euer, euere, euer, uw, uwe, uw;
i^r, it)re, i^r, hun, hunne, hun; haar, hare, haar
3hr, 3&re, 35r, uw, uwe; uw.
terwijl deze hier opgenoemde woorden geheel als het niet
bepalende lidwoord verbogen worden. Doch, daar het niet
bepalende lidwoord alleen een enkelvoud heeft, en de boven
staande woorden ook in het meervoud gebezigd kunnen worden
(in welk geval zij de buiging der bepalende lidwoorden volgen)
zullen wij ook hiervan een voorbeeld geven.
Enkelvoud.
Mann el ijk.
1. fein fc^öncr Saum, geen schoone boom.