Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
rijk 38 iii zes 39 afdeelingen 40 of 41 klassen 42: zoogdieren 43,
vogels , ampliibiëu 44, visschen 45 , insecten 4G en wormen.
42. eiagc, f. 3. 44. 2Jmpf)tble, f. 3. 46. ^nfect, n. 3.
43. eau9ethicr,n.2. 45. gifc^), m. 2.
43.
Tusschen 1 de steden 2 en dorpen 3 liggen 4: velden 5,
weiden 6, wouden 7 , boschjes 8, bergen 9 , rotsen 10, heu-
vels 11, gebergten 12, dalen 13, vlakten 14, moerassen 15,
meren 16, vijvers 17, rivieren 18, beken 19 en bronnen 20.
De boomen 2i hebben een1% stam 23, sterke 24 wortelen 25,
takken 26, knoppen 27, bloesems 28, bladeren 29 en vruch-
ten 30. De schors 31 beschut 32 den stam, onder 33 de schors
ligt 34 de bast 35 en onder den bast 35 het zachte 36 hout 37,
dat men spint noemt 38. In 39 het vaste 40 hout is 41 het
merg 42 ingesloten 41.
1. 5n)trcl;cn, (3). 16. @ce, m. 3.
2. etabt (a), f.2. 17. m. 2.
18. giiïg (ü), m. 2.
19. 5Sad) (a), m. 2.
20. £)ucflcr f. 3.
21. SSauin (au),m.2.
22. r)abcu einen.
23. etanini (a,\m.2.
24. (ïarfc.
25. ©urjcf, f. 1.
26. inH (a), m. 2.
27. jfiioépc, f. 3.
28. SB[üt()c, f. 3.
29. Slaft (a), n. 4.
30. grud)t (Ü), f. 2.
44.
De goden der ouden 1 waren dihoijls slechts 2 menschen.
De afgodsbeelden 3 hadden in verschillende 4 landen, ver-
schillende 5 gedaanten 6. De Egyptenaren 7 vereerden 8 honden,
ossen 9, slangen 10 en andere dieren. De Gïiektw II hadden
1. bcr Sllten. 4. fatten in (3) oer^ 6. ©eftalt, f. 3.
rrf;icbcncn. 7. i2icgi;ptcr, m. 1.
5. ocrfc^icbcnc. 8. ecrc^rfcn.
rearcn oft nur.
3. ©ófee, f. 3.
?fl
3. Sorf (o), n. 4.
4. liegen.
5. gelb, n. 4.
6. ®iefc, f. 4.
7. 2Balb'{a),m. 4.
8. ©cbüfcfe, n. 2.
9. S5erg, m. 2.
10. ^d/cn, m. ].
11. -pügel, m. 1.
12. ©ebirgc, n. 2.
13. ï^al (a), n. 4.
14. gbene, f. 3.
15. Sumpf (ü},m.2.
31. 3vinbe, f. 3.
32. fc^ü^t.
33. unter/ (3).
34. liegt.
35. SBafï, m. 2.
36. iDcidje.
37. .^ülj, n. 2.
38. baé man Splint
nennt.
39. in, (3).
40. fcften.
41. i(ï... cingc^
fdjloffen.
42. gjjarf, n. 2.