Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
zelO aan de arme 11 vrouwen vereerd 12. De rijkdommen 13
des koopmans zijn op eene veilige 14 plaats 15 in 16 het
bosch 17 verborgen 18.
12. 9efd)cnft. 14. attcinemftc^)crn. 17. ffialb (a), m. 4.
13. Sleic^it^um (ü);, 15. Orf, (ö), m. 4. 18. »crborgcn.
m. 4. 16. irt, (3).
35.
Onder 1 de gedenkteekenen 2 der oude 3 volken 4 bewondert
men 5 vooral 6 de puinhoopen 7 van Thebe 8 in Opper-Egyp-
te 9, vjelke thans nog tusschen 10 de dorpen Medinat-Abu,
Kurnu, Luxor en Karnak verstrooid liggen 11. Behalve 12
deze 13 gedenkteekenen der oudheid 14 vindt men hier 15
vele onderaardschegewelven 17, welke den volken van het
land tot 18 graven 19, ook wel tot 20 heiligdommen 21 Mo^e»
gediend hebben 22. De Egyptenaren 23 noemden 24 de graven
de eeuwige 25 huizen. Het Labyrinth had 26 vijftien hon-
derdll vertrekken 28 boven 29 de aarde 30.
1. untcr (3). 11. jcrftreut liegen. 21. JÊ)eiligthum (ü),
2. J)enfma[(a),n.4. 12. auger, (3). n. 4.
13. biefen.
14. 2lltert&um (ü),
n. 4.
15. finbet man t)icr>
16. ciele unterirbi?
fdjen.
17. @eroi?ll)e, n. 2.
18. JU (3).
19. @rab (a), n. 4.
20. aud) 11)0^1 JU,
(3).
36.
ür liggen 1 in 2 de naburige 3 dorpen eenige 4 regimen-
ten 5 soldaten 6, en de velden 7 zijn vol 8 krijgsvolk 9. Ver-
scheiden 10 kapiteins 11 van "Set krijgsvolk hebben 12 de
lieden des dorps zeer mishandeld 12, en bijzonder 13 de
1. eé liegen. 4. einige. 7. gclb, n. 4.
2. in, (3). 5. Slegiment, n. 4. 8. finb ooH.
3. benac^barfen. 6. êolbat, m. 3. 9. ^?riegéüolf(ö),n.4.
3. alten.
4. ajolt (6), n. 4.
5. bemunbert man.
6. torjüglic^.
7. Srümmer, pl.
n. 4.
8. s^eben, n. 1.
9. Ober#3legt;pten,
n. 1.
10. weld;e fe§t noc^
jroifd;en, (3).
22. mogen gebient
^aben.
23. Slegppter, m. ].
24. nannten.
25. emigen.
26. ()atte.
27. fünfje^n^un^
bert.
28. ©emacf) (a),n.4.
29. über, (3).
30. Grbe. f. 3.