Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
456.
©te ftnb gefchtdt genug, um
tm Sieben forfjufommen.
merfe noch ta'gltch, ba§
tch Setter mache.
Saé thut nichté.
?0;an mug nicht furchtfam fetn.
geh fürchte auégela(^t ju roer?
ben.
5Bte roürbe benn fo unhöflich
fein?
ïBiffcn ©ie baé ©prtchroort
nicht?
'Belcheé, mein •O«'^''?
2Ber roohl fprechen lernen roiH,
mug erft anfangen fchlecht
JU fprechen.
iSerfïehen ©te roohl aHeé, roaé
id) 3hncn fafl«?
3ch tjcrfiehe eé fehr roohlj allein
ich fann mit bem ©prechen
nicht fortfommen.
0)iit ber ^tit roirb baé fchon
gehen.
3ch roünfche eé uon ganjem
Jp)erjen.
Gij zijt bekwaam genoeg, om
met spreken voort te komen.
Ik merk nog dagelijks, dat
ik fouten bega.
Dat is niets.
Men moet niet beschroomd zijn.
Ik vrees uitgelachen te zullen
worden.
Wie zou toch zoo onbeleefd
zijn ?
Weet gij niet, wat het spreek-
woord zegt?
Welk, Mijnheer?
Die goed wil leeren spreken,
moet eerst beginnen met
kwalijk spreken.
Verstaat gij wel alles, wat ik
u zeg?
Ik versta het wel, maar ik
kan met het spreken niet te
best voort.
Met der tijd zal het wel gaan.
Ik wensch het van ganscher
harte.
12.
'Ber ifï 3hr ©prachlehrer?
gé ifl ber .^crr 31.
3cf) fenne ihn, er tfl ein fehr
bratoer ^Dlann.
©agt er 3^nen nicht, bag man
ftch fortroahrenb im ©prechen
üben mug?
mein S^ttr, er fagt eé
mir oft.
IBarum folgen ©ie feinem
Siathe nicht?
Wie is uw taalmeester?
Het is de heer N.
Ik ken hem, hij is een zeer
braaf man.
Zegt hij u niet, dat men zich
in het spreken gedurig moet
oefenen ?
Ja, Mijnheer! hij zegt het mij
dikwijls.
Waarom volgt gij zijnen raad
niet ?